< Terug naar overzicht

Postscriptum. Robotbelasting, waarom niet? HR Square 169

Jos Gavel

Op 17 februari publiceerde de business-site Quartz een spraakmakend interview met Bill Gates, die wij u niet moeten voorstellen. Bill verraste vriend en vijand met een pleidooi voor belastingen, jawel, en op robots dan nog aan toe. Het doel: de automatisering die banen doet verdwijnen wat vertragen en fondsen werven om andere soorten werk te financieren, inclusief de opleiding naar nieuwe banen toe. Zijn motieven daartoe hebben een sterke sociale inslag en verwijzen tegelijk naar een mogelijkheid om arbeid minder te belasten zonder investeringen in sociale zekerheid, zorg, opleiding en ontwikkeling te ondergraven. Is de rijkste man ter wereld socialist geworden?

Feit is dat Bill – naast steun van wetenschappers en ‘sociaal georiënteerde’ politieke stromingen en figuren – onmiddellijk binnen- en buitenlandse tegenwind kreeg uit diverse hoeken. Belastingen op het gebruik van robots en artificiële intelligentie zouden de innovatie afremmen of fnuiken en dus schadelijk zijn voor de economie. Bovendien zou robotisering zowat vanzelf nieuwe vervangende werkgelegenheid scheppen. Volgens sommigen, ten slotte, zou het moeten volstaan dat de bestaande belastingen correcter worden geïnd om de robotbelasting irrelevant te maken.

Laat ons samen even in de teletijdmachine stappen. De pasgeboren staat België (°1830) kende in zijn tweede levensjaar aan de gemeenten en provincies het recht toe om eigen belastingen te heffen die niet in concurrentie gingen met de nationale. Daarmee zouden ze een deel van hun werking kunnen financieren (infrastructuurwerken, armenzorg, …). Meteen populair bij de gemeentebesturen en node geaccepteerd door de bedrijven, werden de belastingen op stoommachines en paardenkracht werkelijkheid. De robots van die tijd dus. Het piepkleine land (gerekend zonder het gigantische Congo) ontwikkelde zich de volgende 80 jaar tot een economische wereldmacht in de top vijf.

Meteen na de Groote Oorlog, in 1919, werd de wet verfijnd, maar ze bleef in essentie dezelfde. De gemeenten hieven naar hartenlust belastingen op drijfkracht (simpelweg alle soorten motoren voor industrieel of ander gebruik), het aantal tewerkgestelde arbeiders en gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke activiteiten. Alweer op robots, menselijke robots en toen reeds milieu. Bijna 100 jaar geleden. Zij bekostigden er gedeeltelijk sociale bijstand, onderwijs, ziekenzorg en de bouw van sociale woningen mee. De volgende 80 jaar werd België geen economische wereldmacht meer in absolute cijfers, maar het blijft met succes boksen boven zijn gewicht (qua oppervlakte, bevolking en ‘natuurlijke hulpbronnen’) inzake economische, sociale en educatieve prestaties.

Volgens gegevens van Voka inden in 2015 nog 86 van de 308 Vlaamse gemeenten een belasting op drijfkracht, wat hen in totaal 85 miljoen euro opbracht. De Brusselse gemeenten waren nog creatiever. Op het einde van de 20ste eeuw voerden zij bijna allemaal een taks in op beeldschermen en/of printers. Die werd in 2008 echter afgeschaft.

Het lijkt er vanuit historisch perspectief niet erg op dat de belastingen op drijfkracht of beeldschermen de vernieuwing en automatisering van de economie en de verhoging van de productiviteit vertraagd hebben. Zou dat met een robot-taks anders zijn? Het hangt ervan af. Als de aanslag redelijk (dus niet te hoog) is, zal de winst van de robotisering altijd substantieel genoeg blijven om ondernemingen aan te zetten tot innovatie. Een goed opgezette robot-taks is geen bedreiging, maar een drijfkracht. Hij biedt voor de overheid en voor de bedrijven fraaie kansen om te investeren in een taxshift naar lagere loonlasten (wat langer en ‘werkbaarder werken’ voor meer mensen zou bevorderen) en in ‘levenslang leren’ in functie van inzetbaarheid. Een ander voordeel van de robot-taks is dat hij eenvoudiger en moeilijker te ontduiken is dan vele andere belastingen en daardoor bijdraagt tot meer fiscale rechtvaardigheid. Waarom niet dus? Een nieuwe, intelligente economie vraagt nieuwe, intelligente manieren om de mensenmaatschappij te organiseren en te financieren, op een hoger sociaal niveau dan voorheen (en dus niet op dat van 1831).



< Terug naar overzicht