< Terug naar overzicht

Dubbele foto opzeggingstermijnen: anciënniteit vs. aanvang arbeidsovereenkomst

De arbeidsrechtbank van Brussel beantwoordde recent de vraag welke datum bepalend is om de overgangsregeling voor de berekening van de opzeggingstermijnen toe te passen: de datum van aanvang van de arbeidsovereenkomst of de datum waarop de anciënniteit beginnen lopen is?

Sedert de wet op het Eenheidsstatuut (WES) wordt de opzeggingstermijn voor werknemers die in dienst waren voor 1 januari 2014 volgens de zogenaamde ‘dubbele foto’ berekend.

  1. De ‘oude’ opzeggingstermijnen voor de tewerkstelling tot 31 december 2013.
  2. De ‘nieuwe’ opzeggingstermijnen voor de tewerkstelling vanaf 1 januari 2014.

Beide delen worden opgeteld om de totale opzeggingstermijn of de daarmee overeenstemmende opzeggingsvergoeding te bepalen.

In de praktijk levert de toepassing van deze overgangsregeling weinig problemen op voor situaties waarin de werknemer al van voor 1 januari 2014 verbonden was door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Andere scenario’s zijn echter minder eenduidig. Zo rijst de vraag of beide stappen ook moeten worden toegepast in de hypothese dat een werknemer na 1 januari 2014 voor onbepaalde tijd in dienst getreden is, maar wel een anciënniteit heeft die teruggaat op een datum voor 1 januari 2014 (bijv. op basis van een aaneensluitende overeenkomst voor bepaalde tijd).

De Nederlandstalige arbeidsrechtbank van Brussel had de kans zich over deze problematiek uit te spreken. Samengevat waren de feiten dat de werknemer in april 1992 in dienst was getreden van onderneming A. Deze arbeidsovereenkomst werd vervolgens in onderling akkoord beëindigd op 31 maart 2017 en op 1 april 2017 had de werknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten met een andere, maar verwante onderneming B. Op 1 februari 2019 werd deze arbeidsovereenkomst door onderneming B beëindigd met de betaling van een opzeggingsvergoeding. De grote vraag in dit dossier was of de overgangsregeling voor de berekening van de opzeggingstermijn al dan niet moest worden toegepast.

Anciënniteit vóór 1 januari 2014?

Vooraleer de rechtbank dit juridisch vraagstuk kon analyseren, moest - gezien de verwantschap tussen beide ondernemingen - nog de vraag beantwoord worden of het in dit geval over dezelfde werkgever ging en of de tewerkstelling al dan niet onderbroken werd.

De rechtbank was van oordeel dat ondernemingen A en B als ‘dezelfde werkgever’ in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet gezien moesten worden waardoor als aanvangspunt van de anciënniteit april 1992 vastgelegd werd.

Dus dubbele foto?

De arbeidsrechtbank benadrukte dat de bewoordingen van artikel 67 WES duidelijk zijn en dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen de begrippen aanvang van de arbeidsovereenkomst en ononderbroken dienstanciënniteit. De rechtbank was dus wel van mening dat er rekening gehouden moest worden met een anciënniteit sinds april 1992, maar dat de arbeidsovereenkomst die op 1 februari 2019 beëindigd werd een aanvang had genomen op 1 april 2017. Omdat deze datum dateert van na 1 januari 2014, besliste de arbeidsrechtbank dat de overgangsregeling geen toepassing vond.

Dit vonnis is definitief.

Nederlandstalige Arbeidsrechtbank van Brussel 2 maart 2021, AR 20/206/A, onuitg.

 

Lisa Schevenels
Advocaat
Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen