< Terug naar overzicht

Collectief ontslag: (dubbel)check drempel ontslagen in periode van 60 dagen

De Belgische wetgeving inzake collectief ontslag is (grotendeels) het gevolg van de implementatie van een Europese richtlijn. De oorspronkelijke richtlijn dateert van 1975 en werd in 1992 gewijzigd. In 1998 werd een consolidatie doorgevoerd met richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag. Conform de richtlijn is er een collectief ontslag wanneer x aantal ontslagen vallen binnen een periode van 30 of 90 dagen. De richtlijn liet wel de mogelijkheid voor lidstaten om meer beschermende bepalingen in te voeren op nationaal vlak. België deed dit voor de drempel: waar de numerieke criteria werden behouden net zoals in de richtlijn, breidde België de referentieperiode uit van 30 naar 60 kalenderdagen (zowel in de cao 24, het koninklijk besluit van 24 mei 1976, als in de Wet Renault). In dit artikel focussen we naar aanleiding van een recent arrest van het Hof van Justitie op de concrete toepassing van deze referentieperiode van 60 kalenderdagen.

Recent moest het Hof van Justitie een oordeel vellen over de berekening van deze referentieperiode (qua dagen voor België dus 60). De vraag rees of het individuele ontslag van een bepaalde werknemer al dan niet deel uitmaakt van een collectief ontslag in de situatie waarbij voor en/of na het individueel ontslag van de betrokken werknemer een aanzienlijk aantal andere ontslagen werden doorgevoerd.

In deze zaak suggereerde de Spaanse arbeidsrechtbank verschillende berekeningsopties, onder meer de formule waarin bij de berekening van de referentieperiode het individueel ontslag steeds als einddatum moet worden beschouwd of omgekeerd, waarbij de referentieperiode berekend moet worden vanaf het betrokken individueel ontslag. Het Hof van Justitie bevestigde alvast dat beide opties niet opgaan.

Het Hof oordeelde dat onder de richtlijn enkel de volgende benadering correct is: alle ontslagen die hebben plaatsgevonden binnen een periode van (in België) 60 dagen waarbinnen het betrokken ontslag valt, worden meegeteld zonder dat daarbij een onderscheid wordt gemaakt naargelang die periode voor, na, of gedeeltelijk voor en/of gedeeltelijk na het betrokken individueel ontslag valt.

Het Hof van Justitie bevestigde uiteraard hetgeen reeds duidelijk was nl. dat de referentieperiode een dynamisch gegeven is. Dit concept is enigszins abstract. Het is zo dat de referentieperiode van 60 dagen als zogenaamde schuivende referentieperiode moet worden beschouwd. Met andere woorden, een periode die geen vaste start noch einde kent. Elke mogelijke periode van 60 dagen telt. Bij elk ontslag dat om het even wanneer zou plaatsvinden moet men in principe twee afzonderlijke tellingen doen: (1) de ontslagen die zouden plaatsvinden in de 59 dagen voor dat ontslag en (2) de ontslagen die zouden plaatsvinden in de 59 dagen volgend op dat ontslag.

De in de Belgische wetgeving vastgestelde drempels (aantal ontslagen) gedurende de referentieperiode van 60 kalenderdagen, zijn afhankelijk van de grootte van de onderneming. Een juiste analyse van het al dan niet bereiken van de drempels is van cruciaal belang. Het feit dat door de regelgeving collectief ontslag zou worden getriggerd heeft een serieuze impact. Het is immers zo dat een werkgever die het voornemen heeft tot collectief ontslag over te gaan, voorafgaand aan enige beslissing hieromtrent omstandig moeten informeren en consulteren met de sociale overlegorganen.

Hof van Justitie 11 november 2020, C-300/19

Hanne Cattoir
Medewerker
Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen