< Terug naar overzicht

Zijn facturen van verboden terbeschikkingstelling invorderbaar?

Het Hof van Cassatie oordeelt dat het verbod op terbeschikkingstelling van personeel van openbare orde is. Alle overeenkomsten die dat verbod schenden, zijn dan ook nietig. Dat heeft verregaande gevolgen.

Buitenlandse ondernemingen zijn vaak verrast wanneer ze geconfronteerd worden met het Belgische verbod op terbeschikkingstelling van personeel. Dit verbod komt erop neer dat het (buiten het geval van uitzendarbeid of een toegelaten vorm van terbeschikkingstelling) een werkgever niet toegelaten is om zijn werknemers ter beschikking te stellen aan een derde die deze werknemers gebruikt en over hen enig gedeelte van het werkgeversgezag uitoefent. Met andere woorden: onderneming A mag haar werknemers niet ‘uitlenen’ aan onderneming B.

Dat verbod geldt evengoed voor buitenlandse ondernemingen die hun werknemers uitlenen op Belgisch grondgebied. De regels inzake terbeschikkingstelling van personeel zijn immers strafrechtelijk gesanctioneerd en gelden ook voor werknemers die vanuit het buitenland gedetacheerd worden.

Uitzondering: louter als dienstverlener

Een uitzondering op dit verbod is de situatie waarbij een onderneming met haar eigen werknemers een dienst levert aan een klant. In het kader van zo’n dienstverlening kan de klant in beperkte mate instructies geven aan de werknemers van de dienstverlener, zij het onder strikte voorwaarden. Hoe dan ook moet het gaan om een reële dienst, die niet mag bestaan in het uitlenen van personeel aan de klant.

Sancties: arbeidsovereenkomst als extraatje

De sancties bij overtreding van het verbod op terbeschikkingstelling van personeel zijn niet min. Naast strafrechtelijke of administratieve sancties, die zowel aan de uitlenende werkgever als aan de ‘gebruiker’ kunnen worden opgelegd, ontstaat een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur tussen de gebruiker en de ter beschikking gestelde werknemers.

De oorspronkelijke werkgever en de gebruiker zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de lonen, vergoedingen en voordelen die voortvloeien uit deze nieuwe arbeidsovereenkomst. Eenzelfde aansprakelijkheid geldt voor de sociale-zekerheidsbijdragen die verschuldigd zijn op grond van de nieuwe arbeidsovereenkomst (maar vaak zullen geen Belgische sociale-zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn voor werknemers die vanuit het buitenland tijdelijk naar België worden gedetacheerd).

Beslissingen over het personeel: verboden terbeschikkingstelling

Recentelijk voegde het Hof van Cassatie nog een bijkomende dimensie toe aan dit uitgebreide sanctieapparaat. Een onderneming A had in strijd met het verbod op terbeschikkingstelling van personeel haar werknemers uitgeleend aan een andere onderneming B. Deze onderneming B bepaalde de praktische arbeidsorganisatie en arbeidstijd van de werknemers, en beheerde de jaarlijkse vakantie en arbeidsongeschiktheid. Bovendien werden de aanwervingsdocumenten van de nieuwe gedetacheerde werknemers van A ook door B geregeld, en nam B daadwerkelijk beslissingen over het personeel van A. Er was dan ook sprake van een verboden terbeschikkingstelling van personeel.

Uiteraard leende onderneming A haar werknemers niet uit liefdadigheid uit aan onderneming B. Beide ondernemingen waren verbonden door een commerciële overeenkomst, op grond waarvan onderneming B in principe een prijs verschuldigd was aan onderneming A voor het gebruiken van haar werknemers. Toen puntje bij paaltje kwam, bleef onderneming B echter in gebreke om de facturen te voldoen. De daaruit voortvloeiende rechtszaak tussen beide vennootschappen eindigde voor het Hof van Cassatie.

Facturen: niet invorderbaar

Het Hof van Cassatie oordeelde dat het verbod op terbeschikkingstelling van personeel van openbare orde is, hetgeen betekent dat overeenkomsten die dat verbod schenden absoluut nietig zijn. Deze nietigheid komt niet enkel de door het verbod beschermde partij (de werknemers) ten goede, maar kan door iedereen worden ingeroepen. Concreet betekent dit dat ook onderneming B kan inroepen dat haar overeenkomst met onderneming A geen rechtsgevolgen kan hebben, en dat de facturen die op basis van die overeenkomst door onderneming A werden opgesteld dus niet invorderbaar zijn.

Onderneming A probeerde nog voor te houden dat zoiets resulteert in een verrijking zonder oorzaak voor onderneming B, die immers heeft kunnen genieten van de werknemers zonder kostprijs. Het Hof van Cassatie oordeelde evenwel dat deze redenering de efficiëntie van het sanctieapparaat zou ondergraven en zou ingaan tegen het doel om de werknemers te beschermen.

Kortom, onderneming A ving bot en zal voor de terbeschikkingstelling van haar werknemers niet vergoed worden door onderneming B. Naast de hierboven aangehaalde mogelijke strafsancties en hoofdelijke aansprakelijkheid, vormt dit een bijkomend argument voor binnen- en buitenlandse dienstverleners om extra aandacht te besteden aan het verbod op terbeschikkingstelling van personeel.

Auteur: Martijn Baert (advocaat Claeys & Engels)

 


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen