< Terug naar overzicht

Wie is handelsvertegenwoordiger en wat is de impact bij ontslag?

Handelsvertegenwoordiger of geen handelsvertegenwoordiger, dat is de kwestie. Zeker bij ontslag maakt die hoedanigheid een groot verschil uit bij de vergoedingen. En hoever reikt het wettelijk vermoeden betreffende deze handelstussenpersonen?

Handelsvertegenwoordigers zijn werknemers die “in hoofdzaak en op bestendige wijze het prospecteren en het bezoeken van (potentiële) klanten en het onderhandelen of afsluiten van zaken tot taak hebben.” Werknemers die slechts af en toe commercieel actief zijn voor de klanten van de werkgever zijn dus géén handelsvertegenwoordigers.

Of een werknemer al dan niet het statuut van handelsvertegenwoordiger heeft, kan van groot belang zijn. Handelsvertegenwoordigers kunnen bij ontslag onder bepaalde voorwaarden immers aanspraak maken op een uitwinningsvergoeding, bovenop de normale opzeggingsvergoeding. Daarnaast gelden voor hen specifieke regels omtrent het niet-concurrentiebeding en de betaling van commissies.

Zelfstandige of werknemer?

Volgens vaste rechtspraak is het aan de werknemer zelf om te bewijzen dat hij voldoet aan de definitie van een handelsvertegenwoordiger wanneer hij zich op deze bepalingen wenst te beroepen. Anderzijds wordt elke overeenkomst die wordt gesloten tussen een opdrachtgever en een tussenpersoon vermoed een arbeidsovereenkomst te zijn. Ook al zouden de partijen dus afspreken dat de bewuste activiteit op zelfstandige basis wordt uitgeoefend, de tussenpersoon en/of de RSZ kunnen naderhand altijd claimen dat de opdrachtgever en de tussenpersoon met een arbeidsovereenkomst verbonden zijn. Het is dan de opdrachtgever die moet bewijzen dat er wel degelijk sprake is van een zelfstandige samenwerking. Dat zal hij moeten doen door aan te tonen dat er voldoende elementen zijn die het bestaan van een gezagsverhouding tussen de partijen uitsluiten.

Handelsvertegenwoordiger of niet?

Recentelijk diende het Hof van Cassatie uitspraak te doen over de vraag of dit wettelijke vermoeden meteen ook betekent dat elke persoon die in min of meerdere mate taken van handelsvertegenwoordiging verricht, ook geacht wordt een handelsvertegenwoordiger te zijn. Het belang van deze vraag mag niet onderschat worden. Een positief antwoord zou immers impliceren dat de tussenpersoon enkel nog moet aantonen dat hij taken van handelsvertegenwoordiging uitoefende om als handelsvertegenwoordiger beschouwd te worden. Of die taken dan “op bestendige wijze” en “in hoofdzaak” worden uitgevoerd, zou dan niet belangrijk meer zijn.

In een recent arrest wees het Hof van Cassatie deze interpretatie echter van de hand. Het wettelijk vermoeden slaat immers enkel op het bestaan van de arbeidsovereenkomst, niet op de kwalificatie als handelsvertegenwoordiger. Iedereen die taken van handelsvertegenwoordiging uitoefent, wordt volgens het Hof van Cassatie op weerlegbare wijze vermoed een werknemer te zijn. Maar dat betekent nog niet automatisch dat die werknemer ook een handelsvertegenwoordiger is. Het is immers niet voldoende om af en toe taken van handelsvertegenwoordiging uit te oefenen: de werknemer moet dat “hoofdzakelijk” en “op bestendige wijze” doen. Er moet dus een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen het vermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst enerzijds en de kwalificatie als handelsvertegenwoordiger anderzijds. De bewijslast voor die laatste kwalificatie blijft – ook na dit arrest – bij de werknemer liggen.

Hof van Cassatie, 5 mei 2014, S.12.0036.N



< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen