< Terug naar overzicht

Werkgever belooft arbeidscontract aan uitzendkracht: belofte maakt schuld

Bepaalde ondernemingen/gebruikers beloven aan uitzendkrachten die bij hen werken dat ze zullen worden aangeworven na een goede evaluatie van hun prestaties. De arbeidsrechtbank van Turnhout diende zich onlangs uit te spreken over de gevolgen van de niet-n

Een uitzendkracht werd als winkelbediende tewerkgesteld van 28 november 2008 tot 2 mei 2009. Gedurende deze periode leverde de HR-manager van de onderneming een document af waarin aangekondigd werd dat de betrokken uitzendkracht mits positieve evaluatie op 4 mei 2009 zou worden aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur. Op 4 mei 2009 liet de onderneming de uitzendkracht echter niet toe om het werk aan te vatten. Er bestond op dat ogenblik geen overeenkomst meer tussen het uitzendkantoor en de gebruiker over haar tewerkstelling.

Geen contract


De uitzendkracht was van mening dat de onderneming zich schuldig had gemaakt aan contractbreuk en vorderde een opzeggingsvergoeding van drie maanden loon. In ondergeschikte orde vorderde ze een schadevergoeding overeenstemmend met drie maanden loon wegens ‘precontractuele fout’.

De arbeidsrechtbank van Turnhout oordeelde dat er in casu geen sprake kon zijn van een verbreking van de arbeidsovereenkomst, omdat er nooit een arbeidsovereenkomst tussen de uitzendkracht en de onderneming is ontstaan. Er was immers geen overeenkomst tussen beiden over de arbeid, het loon en het gezag, hetzij de constitutieve elementen voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Bovendien stelde de arbeidsrechtbank dat er evenmin sprake kon zijn van een ‘aanbod tot tewerkstelling’, omdat ook een dergelijk aanbod al de constitutieve elementen voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet bevatten. Om deze redenen oordeelde de arbeidsrechtbank dat er geen opzeggingsvergoeding verschuldigd was.

Wel een schadevergoeding


De vordering tot betaling van een schadevergoeding werd echter wel gegrond verklaard. De arbeidsrechtbank was van oordeel dat de onderneming zich niet correct heeft gedragen in de ‘precontractuele verhouding’ met de uitzendkracht, meer bepaald door de zorgvuldigheidsplicht (vervat in artikel 1382 B.W.) te schenden.

Volgens de arbeidsrechtbank had de onderneming door de afgifte van het bovenvermelde document de indruk gewekt dat ze de uitzendkracht een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur zou aanbieden mits een positieve evaluatie van haar prestaties. Uit geen enkel element in het dossier bleek echter dat de onderneming niet tevreden was over de prestaties van de uitzendkracht, zodat zij er terecht van uitging dat zij vanaf 4 mei 2009 zou worden aangeworven.

De arbeidsrechtbank veroordeelde de onderneming bijgevolg tot de betaling van een vergoeding van de schade die is ontstaan doordat de aangekondigde arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd niet tot stand is gekomen. Deze schade werd door de arbeidsrechtbank begroot op een schadevergoeding van één maand deeltijds loon à rato van de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van de werkneemster als uitzendkracht, aangezien het volgens de arbeidsrechtbank weinig waarschijnlijk was dat de onderneming een arbeidsovereenkomst zou sluiten zonder proefbeding en voor een voltijdse tewerkstelling. Belofte maakt schuld…

Arbeidsrechtbank van Turnhout, 9 januari 2012, AR 10/385/A, onuitg.

< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen