< Terug naar overzicht

Welke rechtbank is bevoegd bij internationale tewerkstelling?

Bij een betwisting over de bevoegde rechtbank: wat is het belang van de duidelijke wil van de betrokken partijen voor het bepalen van de plaats van de 'gewoonlijke' tewerkstelling?

Eén van de criteria op basis waarvan een werknemer zijn werkgever kan dagvaarden voor een specifieke nationale rechtbank, is de plaats van de (laatste) gewoonlijke tewerkstelling van die werknemer. Op basis daarvan dagvaardde een Belgische technicus, die tijdens het eerste jaar van zijn arbeidsovereenkomst prestaties uitvoerde in Frankrijk en daaropvolgend 6 maanden lang in België werkte, zijn voormalige werkgever voor de arbeidsrechtbank van Leuven. Naar aanleiding van eerdere rechtspraak van het Hof van Justitie (Arrest Weber C37/2000) oordeelt de rechter echter dat de plaats van gewoonlijke tewerkstelling van de technicus niet België is, op basis van de duidelijke wil van de partijen.

Ontslag volgens Belgisch of Frans recht?

De Brussel I Verordening, die ondertussen vervangen is door de Brussel Ibis Verordening, bepaalt welke rechtbank bevoegd is in geval van betwisting over een arbeidsovereenkomst met een internationaal karakter. Artikel 19 van de Verordening (nu: artikel 21) bepaalt dat de werkgever gedagvaard kan worden voor het gerecht waar hij zijn zetel heeft, maar onder meer ook voor het gerecht van de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de laatste plaats waar hij gewoonlijk heeft gewerkt (Artikel 19, 2, a).

Het nieuwe artikel 21, 1, b, i van de nieuwe Verordening voegt hieraan toe dat ook het gerecht van de (laatste) plaats van waaruit hij gewoonlijk heeft gewerkt, bevoegd is. De nieuwe Verordening was echter nog niet van toepassing, gezien het geschil in casu ontstond voor de inwerkingtreding van de Brussel Ibis Verordening op 10 januari 2015.

In casu had een Belgische technicus een arbeidsovereenkomst gesloten van onbepaalde duur met een Franse vennootschap. Er werd geen uitdrukkelijke rechtskeuze voor Frans recht gedaan in deze overeenkomst. Van september 2010 tot en met september 2011 voerde de technicus zijn prestaties uit op de zetel van de vennootschap in Frankrijk of bij cliënten van de vennootschap in Frankrijk. Van begin oktober 2011 tot begin april 2012 voerde hij prestaties uit in België om de commerciële activiteiten van de vennootschap te ontwikkelen met het oog op het oprichten van een filiaal in België.

Hierna ontstond er betwisting over de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst, waarna enerzijds de werknemer impliciet ontslag door de werkgever vaststelde en anderzijds de werkgever de arbeidsovereenkomst beëindigde met een opzeggingstermijn van twee maanden naar Frans recht. In eerste aanleg verklaarde de arbeidsrechtbank van Leuven zich bevoegd op basis van de gewoonlijke tewerkstelling van de werknemer in België.

Tijdelijke of gewoonlijke arbeidsplaats?

Dit vonnis werd hervormd door het arbeidshof van Brussel. Volgens het arbeidshof houdt de rechter in eerste aanleg alleen maar rekening met de laatste plaats van tewerkstelling, terwijl hij ook moest verifiëren of België de plaats van gewoonlijke tewerkstelling was.

Het arbeidshof verwijst uitdrukkelijk naar het arrest Weber (Hof van Justitie, 27 februari 2002, C37-2000), waarin bepaald wordt dat de rechter van de plaats waar het grootste deel van de arbeidstijd wordt doorgebracht, bevoegd is. Hierbij moet rekening gehouden worden met de volledige duur van de arbeidsverhouding (in dit geval: 1 jaar in Frankrijk en 6 maanden in België op de volledige duur).

In casu bleek dat de arbeidsplaats in België slechts tijdelijk was en niet gewoonlijk. De bedoeling van deze tewerkstelling was inderdaad dat de technicus in België werkte om de markt in België uit te bouwen. Uit de stukken van beide partijen bleek echter dat deze tewerkstelling verbonden was aan de economische resultaten in België, die onzeker waren op het moment van de uitzending van de technicus van België naar Frankrijk.

Het was dus niet de bedoeling dat de technicus noodzakelijk zou blijven werken in België.
Bovendien bleef de technicus betaald worden vanuit Frankrijk en bleef hij de Franse verlof- en arbeidstijdregeling volgen. Ook op het naamkaartje van de technicus bleven alle Franse contactgegevens vermeld staan tijdens zijn prospectie in België.

Voorwaardelijke en tijdelijke werkplaats

Ten slotte haalt het arbeidshof van Brussel nog aan dat het arrest-Weber bepaalt dat het meest recente tijdvak van arbeid maar in aanmerking kan worden genomen in geval de werknemer, na zijn arbeid gedurende zekere tijd op een bepaalde plaats te hebben verricht, zijn werkzaamheden vervolgens duurzaam op een andere plaats verricht. Dit was hier niet het geval: volgens de duidelijke wil van de partijen was de tijdelijke nieuwe werkplaats in België hoogstens voorwaardelijk en afhankelijk van de marktevolutie.

Gezien de duidelijke wil van beide partijen hierover, leidde de korte tewerkstelling van de technicus in België dus niet tot een gewoonlijke tewerkstelling in België en was de Belgische arbeidsrechter niet bevoegd op basis van artikel 19, 2, a van de Verordening.

Bron: Arbeidshof van Brussel, 3 maart 2015, AR 2013/AB/998, www.juridat.be

Auteurs: Sophie Maes en An De Wever (Claeys & Engels)

 


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen