< Terug naar overzicht

Wat met fiscaliteit als werknemer onroerend goed ter beschikking krijgt?

De vennootschap stelt een onroerend goed ter beschikking aan de bedrijfsleider of een werknemer: hoe wordt dit voordeel gewaardeerd?

Alle voordelen die een bedrijfsleider of een werknemer krijgt in het kader van de uitoefening van zijn beroep, zijn belastbare beroepsinkomsten. Het komt er evenwel op aan om te bepalen hoeveel een voordeel in natura waard is. Enkel op deze manier kan men immers bepalen wat het belastbaar bedrag is.
Het algemeen principe luidt dat voordelen in natura bij de genieter belastbaar zijn voor hun werkelijke waarde. Dit is de waarde die de genieter voor dit voordeel zou moeten betalen op de markt.

Aangezien dit niet altijd even eenduidig is, heeft de wetgever aan de koning de bevoegdheid gegeven om een forfaitaire waardering te voorzien indien hij dit nodig acht. Zo’n forfaitaire waardering bestaat onder andere voor een onroerend goed dat gratis ter beschikking wordt gesteld.

Onroerend goed van vennootschap? Vier keer hoger belast

Het voordeel van een ter beschikking gesteld onroerend goed bedraagt in principe 100/60 van het (geïndexeerd) kadastraal inkomen van het (gedeelte van) het onroerend goed dat ter beschikking wordt gesteld. Het ‘voordeel van alle aard’ dat op deze manier wordt berekend, is bijgevolg belastbaar tegen de normale progressieve tarieven. We merken hierbij op dat deze forfait niet van toepassing is voor de sociale zekerheid.

Indien het onroerend goed evenwel ter beschikking wordt gesteld door een rechtspersoon (bijvoorbeeld een vennootschap), dan wordt deze waardering verhoogd door het te vermenigvuldigen met een bepaalde factor. Deze factor wordt bepaald op basis van het (niet-geïndexeerde) kadastraal inkomen (KI) van het ter beschikking gestelde gebouw (of het gedeelte ervan). Indien dit KI maximaal 745 euro bedraagt, dan is de vermenigvuldigingsfactor 1,25. Indien het KI meer dan 745 euro bedraagt, dan stijgt de vermenigvuldigingsfactor naar 3,8.

De belastbare waarde van een ter beschikking gesteld onroerend goed ligt dus een stuk hoger indien het goed ter beschikking gesteld wordt door een rechtspersoon en niet door een natuurlijke persoon. Het voordeel kan in dat geval tot bijna vier keer hoger zijn.

Teruggefloten

Zowel het hof van beroep van Gent in zijn arrest van 24 mei 2016, als het hof van beroep van Antwerpen in zijn arrest van 24 januari 2017 heeft geoordeeld dat dit verschil discriminerend is. De belastingplichtige die een onroerend goed ter beschikking krijgt van een natuurlijke persoon, zal op dit voordeel minder belastingen betalen, vergeleken met de belastingplichtige die hetzelfde onroerend goed ter beschikking zou krijgen van een vennootschap. De hoven zijn nagegaan of dit verschil objectief en redelijk is.

Vooreerst zijn beide hoven tot de conclusie gekomen dat het koninklijk besluit bij het Wetboek Inkomstenbelastingen die deze waarderingsregels voorschrijft, geen redelijke en objectieve verantwoording geeft voor het onderscheid. Een dergelijke verantwoording is evenmin te vinden in de aanhef van de koninklijke besluiten die het verschil hebben ingevoerd. Ten slotte is er bij de voorbereiding van de teksten geen verslag aan de koning gepubliceerd, waaruit een eventuele verantwoording zou blijken. De hoven van beroep concluderen dan ook dat de hogere waardering die van toepassing is indien het onroerend goed ter beschikking gesteld wordt door een rechtspersoon niet kan worden toegepast.

Of toch (nog) niet …

Uit deze rechtspraak zou men kunnen afleiden dat men voortaan enkel nog rekening moet houden met de algemene waardering (zijnde 100/60 van het geïndexeerd KI), zonder toepassing te maken van de hierboven vermelde verhogingen bij terbeschikkingstelling door een rechtspersoon. Dat klopt niet, aangezien het KB/WIB 92 (nog) niet werd gewijzigd naar aanleiding van deze arresten. We vermoeden dan ook dat de fiscale administratie de wet zal blijven toepassen zolang deze niet gewijzigd wordt en bijgevolg geen toepassing zal maken van de principes uiteengezet in deze arresten.

We dienen bijgevolg te concluderen dat de fiscale waardering van een ter beschikking gesteld onroerend goed nog steeds afhangt van de vraag wie het onroerend goed ter beschikking stelt. Het onderscheid tussen een terbeschikkingstelling door een natuurlijke persoon en een rechtspersoon zou betwist kunnen worden op basis van de rechtspraak, maar zolang het KB/WIB 1992 niet wordt aangepast, is het toch raadzaam om de wet te volgen indien men enige betwisting met de fiscale administratie wenst te vermijden.

Hof van beroep van Gent, 24 mei 2016, www.monkey.be, rolnr. 2015/AR/1235 en hof van beroep van Antwerpen, 24 januari 2017, fisc.act. 2017, 2017/05, pag. 1-2, rolnr. 2015/AR/1117

Auteur: Tilde Callebaut (Claeys & Engels)

 


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen