< Terug naar overzicht

Wat met anciënniteit bij een louter juridische onderbreking van de arbeidsovereenkomst?

De arbeidsrechtbank van Antwerpen (afdeling Mechelen) moest zich uitspreken over de vraag met welke anciënniteit er rekening gehouden moet worden bij de berekening van de opzegvergoeding. De vraag in casu luidde of er sprake was van dezelfde werkgever én of er sprake was van een daadwerkelijke onderbreking van de tewerkstelling.

In deze zaak werkte de werknemer sinds 1 februari 1978 voltijds als verkoopster in een decoratiewinkel. Daarnaast bevond zich een textielwinkel die tot dezelfde vennootschap (een familiebedrijf) behoorde. Op een bepaald moment besliste de zaakvoerder om de winkels te splitsen en aan elk van zijn kinderen één winkel toe te bedelen. In het kader hiervan beëindigde de werkgever op 30 december 2004 – vanaf 1 januari 2005 – in onderling akkoord de arbeidsovereenkomst van de werknemer. Vervolgens sloot de werknemer op 1 januari 2005 met de nieuwe vennootschap van de decoratiewinkel een nieuwe arbeidsovereenkomst, deze keer voor deeltijdse prestaties. Enkele jaren later, op 29 juni 2011, beëindigde de nieuwe werkgever deze arbeidsovereenkomst met een opzegtermijn van 6 maanden.

Het conflict

De werknemer was van mening dat zij recht had op een aanvullende opzegvergoeding, nu er rekening gehouden moest worden met haar anciënniteit sinds 1 februari 1978. De werkgever daarentegen was van mening dat er een correcte opzegvergoeding betaald werd, nu er op 30 december 2004 een beëindiging in onderling akkoord had plaatsgevonden en er aldus sprake was van een nieuwe onderbroken tewerkstelling.

Het oordeel

De arbeidsrechtbank van Antwerpen (afdeling Mechelen) stelde evenwel de werknemer integraal in het gelijk en oordeelde dat zij recht had op een aanvullende opzegvergoeding, rekening houdend met haar anciënniteit sinds 1 februari 1978.

De arbeidsrechtbank oordeelde vooreerst dat de nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten werd met dezelfde werkgever. Volgens de rechtbank blijkt uit de feitelijke gegevens van het dossier dat de oude en de nieuwe werkgever permanent gelieerde vennootschappen zijn, met een gezamenlijk bestuur en met een gemeenschappelijke economische finaliteit.

Daarnaast is er volgens de arbeidsrechtbank ook sprake van een ononderbroken tewerkstelling. Uit de overeenkomst ‘beëindiging in onderling akkoord’ blijkt immers dat de oorspronkelijke voltijdse arbeidsovereenkomst pas beëindigd werd op 1 januari 2005, zijnde de dag waarop de werknemer ook een nieuwe deeltijdse arbeidsovereenkomst afsloot. Er is aldus sprake van een louter juridische onderbreking. Het feit dat de overeenkomst ‘beëindiging in onderling akkoord’ reeds ondertekend werd op 30 december 2004 doet hieraan geen afbreuk.

Het besluit

Het sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst met een andere juridische entiteit (die evenwel gelieerd is aan de vennootschap van de oorspronkelijke werkgever) én een louter juridische onderbreking van de tewerkstelling volstaan dus niet om de anciënniteit van de werknemer te doorbreken. Er moet immers sprake zijn van aan een daadwerkelijke feitelijke onderbreking.

Let wel, wanneer uit het dossier zou blijken dat de daadwerkelijke feitelijke onderbreking van de tewerkstelling kunstmatig is – en enkel werd toegepast met het oog op het doorbreken van de anciënniteit – zal de onderbreking niet in aanmerking worden genomen. In een dergelijk geval blijft de anciënniteit wel doorlopen. Het sluiten van een overeenkomst ‘beëindiging in onderling akkoord’ betekent dus niet automatisch dat de oorspronkelijke tewerkstelling een afgesloten hoofdstuk is.

Arbeidsrechtbank van Antwerpen (afdeling Mechelen), 24 januari 2017, AR 12/1786/A, Onuitg.

Auteur: Sieglien Huyghe (Claeys & Engels)

 


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen