< Terug naar overzicht

Wat bij gelijktijdige tewerkstelling zonder akkoord van de werkgever?

Telt de activiteit die op het grondgebied van een andere lidstaat wordt uitgevoerd zonder akkoord van de werkgever mee bij het bepalen van de toepasselijke sociale zekerheid?

Om te bepalen welk sociale-zekerheidsstelsel van toepassing is op werknemers en zelfstandigen die werken binnen de Europese Unie, moeten de regels van de Verordening (EG) nr. 883/2004 (*) worden toegepast. De basisregel luidt dat werknemers en zelfstandigen onderworpen zijn aan de lidstaat waar de werkzaamheden worden uitgevoerd (‘lex loci laboris’ of het werkstaatprincipe), zelfs indien zij op het grondgebied van een andere lidstaat wonen. Voor personen die in twee of meerdere lidstaten werken, zijn er bijzondere regels inzake ‘gelijktijdige tewerkstelling’ van toepassing.

In een arrest van het Europees Hof van Justitie van 13 september 2017 komt het hof tot het besluit dat indien een werknemer zonder het akkoord van de werkgever in een andere lidstaat werkt, niet wordt beschouwd als een werknemer die ‘gelijktijdig’ werkt op het grondgebied van twee of meer lidstaten. Het Hof van Justitie lijkt daarmee een argument aan te reiken dat activiteiten waarover geen akkoord bestaat, niet in aanmerking genomen moeten worden. Het maken van goede afspraken over waar werknemers zullen werken, is en blijft onontbeerlijk.

Voorgelegd aan Europees Hof van Justitie

Onder de Verordening (EEG) nr. 1408/71 (de voorganger van de huidige Verordening) namen de meeste lidstaten aan dat er sprake was van een gelijktijdige tewerkstelling zodra een werknemer minstens één dag per maand in een andere lidstaat werkte. In dat geval waren de werknemers onderworpen aan het sociale-zekerheidsstelsel van de woonstaat.

De zaak die aan het Europees Hof van Justitie werd voorgelegd, betrof een werknemer die in België woonde en in Nederland voor een Nederlandse werkgever aan de slag was. De man bezocht evenwel ook een aantal klanten in België (ten belope van ongeveer 6,5 procent van zijn arbeidstijd), zonder dat daarover een akkoord bestond met zijn werkgever. Op grond van het werkstaatprincipe was de werknemer onderworpen aan de Nederlandse sociale zekerheid.

De Nederlandse autoriteiten wensten te weten of de werkzaamheden op Belgisch grondgebied buiten beschouwing gelaten konden worden. Indien niet, zou de tewerkstelling van de werknemer beschouwd moeten worden als een ‘gelijktijdige tewerkstelling’ en zou de werknemer (onder de oude regels van Verordening EEG nr. 1408/71) onderworpen zijn aan de Belgische sociale zekerheid. Het Hof van Justitie oordeelde dat dit niet het geval was en benadrukte daarbij dat het werkzaamheden betrof die niet met de werkgever waren overeengekomen.

Het belang ervan vandaag?

De uitspraak van het Europees Hof van Justitie had betrekking op de ‘oude’ regels die bepaald werden in de Verordening (EEG) nr. 1408/71. Vandaag wordt aangenomen dat er sprake is van een gelijktijdige tewerkstelling zodra een werknemer of zelfstandige voor minstens 5 procent van de normale arbeidstijd/het totale loon opeenvolgend of afwisselend in een andere lidstaat werkt (Verordening EG nr. 883/2004). ‘Marginale’ activiteiten die in termen van tijd en economische opbrengst verwaarloosbaar zijn, moeten buiten beschouwing worden gelaten. De vraag of 6,5 procent tewerkstelling op Belgisch grondgebied zou volstaan om de regels inzake gelijktijdige tewerkstelling te laten spelen, zou zich vandaag dus niet meer opdringen.

Onder de Verordening (EG) nr. 883/2004 luidt de basisregel inzake gelijktijdige tewerkstelling dat het sociale-zekerheidsstelsel van de woonstaat van toepassing is, indien de werknemer er minstens 25 procent werkt. In een gelijkaardig geval zou de werknemer dus reeds een veel groter aandeel van de arbeidstijd op Belgisch grondgebied moeten werken, vooraleer er een verschuiving zou zijn van de Nederlandse naar de Belgische sociale zekerheid.

Conclusie

Uit het arrest kan wel (voorzichtig) worden afgeleid dat het gebrek aan een akkoord tussen de werkgever en de werknemer over de activiteiten uitgeoefend binnen een andere lidstaat, eveneens een rol speelt in de beoordeling of de activiteiten in een andere lidstaat al dan niet in aanmerking moeten worden genomen. Het Europees Hof van Justitie lijkt in dit arrest een argument aan te reiken dat activiteiten waarover geen akkoord bestaat tussen de werknemer en de werkgever, buiten beschouwing gelaten kunnen worden om te beoordelen of er sprake is van een ‘gelijktijdige tewerkstelling’.

Een werkgever die zich geconfronteerd ziet met een werknemer die uit eigen beweging in een andere lidstaat werkt, zonder het akkoord van de werkgever, waardoor de regels inzake de toepasselijke sociale zekerheid zouden wijzigen, beschikt op basis van dit arrest over een argument om een dergelijke wijziging van sociale zekerheid te weerleggen.

In het licht van de voorgaande rechtspraak is het aangewezen om in de arbeidsovereenkomst van werknemers die in een andere lidstaat wonen dan waar zij werken, aandacht te besteden aan de eventuele gevolgen van een tewerkstelling in de woonstaat. De werkgever doet er goed aan uitdrukkelijk te regelen of de werknemer al dan niet in de woonstaat voor zijn rekening mag werken.

Auteur: Dries Faingnaert (Claeys & Engels)

(*) Tot en met 30 april 2010 was de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van toepassing, waarbij er evenwel een overgangsregeling van10 jaar van toepassing is.

 


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen