< Terug naar overzicht

Wat als re-integratie van beschermde werknemer genegeerd wordt?

Gaat Cassatie soepeler om met de formaliteiten van een re-integratieaanvraag door een beschermde werknemer?

Een ontslag van een werknemersafgevaardigde moet steeds met de grootste omzichtigheid gebeuren. De (kandidaat-)werknemersafgevaardigden in de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk kunnen immers slechts in bepaalde gevallen en na het volgen van een specifieke procedure ontslagen worden. Wordt deze procedure niet gerespecteerd, dan kan de ontslagen werknemer om zijn re-integratie in de onderneming vragen.

De wet die deze specifieke ontslagbescherming regelt, bepaalt dat de re-integratie in de onderneming moet gevraagd worden “bij een ter post aangetekende brief” en dit binnen een bepaalde termijn. Verder schrijft de wetgeving voor dat “de werkgever” die deze re-integratie niet aanvaardt, een beschermingsvergoeding verschuldigd is.

In de rechtspraak werd tot op heden vrij unaniem aangenomen dat de formaliteiten bij het indienen van een re-integratieaanvraag door een beschermde werknemer, strikt moeten worden nageleefd. Gebeurt de re-integratieaanvraag niet correct, dan wordt deze beschouwd niet te hebben plaatsgevonden. In zijn arrest van 9 maart 2015 lijkt het Hof van Cassatie het echter enigszins over een andere boeg te gooien.

Niet naar het juiste adres?

Tijdens de sociale verkiezingen van 2008 werd een werknemer ontslagen met onmiddellijke ingang. Pas twee weken na zijn ontslag bleek dat de ontslagen werknemer was voorgedragen als kandidaat voor het comité voor preventie en bescherming op het werk... Een verzoek tot re-integratie volgde.

De vakbond van de ontslagen werkgever goot dit verzoek in een aangetekende brief. De eerste formele vereiste werd dus nageleefd. Deze aangetekende brief werd evenwel gericht aan de technische bedrijfseenheid binnen dewelke het comité voor preventie en bescherming op het werk was opgericht én dus niet naar de juridische entiteit van de werkgever. De vraag rees of dit wel correct was.

Het arbeidshof van Brussel meende van niet. In zijn arrest van 29 april 2013 besliste het arbeidshof dan ook dat de werknemer geen recht had op een beschermingsvergoeding, precies omdat de aanvraag werd opgestuurd naar de technische bedrijfseenheid en niet naar de eigenlijke werkgever.

Dan toch een royale beschermingsvergoeding

De ontslagen werknemer kon zich niet vinden in dat oordeel en besloot cassatieberoep aan te tekenen. In zijn arrest van 9 maart 2015 vernietigde het Hof van Cassatie het bestreden arrest. Het Hof van Cassatie baseerde zijn oordeel op de overweging dat de wetgeving nergens voorschrijft dat een re-integratieaanvraag geen uitwerking zou hebben als de aanvraag wordt toegezonden aan de technische bedrijfseenheid waarvan de werkgever deel uitmaakt in plaats van aan de werkgever zelf.

Het Hof van Cassatie oordeelde dus in deze zaak dat de re-integratieaanvraag wel degelijk geldig was gebeurd. Gevolg: de werkgever moest een royale beschermingsvergoeding betalen aan de betrokken werknemer.

Besluit

Met de sociale verkiezingen voor de deur in 2016, is voorzichtigheid nu de boodschap. Het besproken arrest van het Hof van Cassatie toont aan dat wanneer de werkgever (of de technische bedrijfseenheid waarvan de werkgever deel uitmaakt) geconfronteerd wordt met een re-integratieaanvraag, deze best niet te veel hoop vestigt op de eventuele ongeldigheid van de aanvraag om te ontsnappen aan de betaling van een beschermingsvergoeding. De inzet is ontzettend groot: het negeren van een re-integratieaanvraag kan ertoe leiden dat de werkgever een beschermingsvergoeding moet betalen aan de ontslagen (kandidaat-) werknemersafgevaardigde die kan oplopen tot maar liefst 8 jaar loon.

Arbeidshof van Brussel, 29 april 2013, AR 2012/AB/273 en Hof van Cassatie, 9 maart 2015, s.14.0019

 


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen