< Terug naar overzicht

Wanneer verjaart eis tot schadevergoeding wegens schending niet-concurrentiebeding?

Voor vorderingen die ontstaan uit de arbeidsovereenkomst geldt de verjaringstermijn, vermeld in artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Deze vorderingen verjaren na verloop van vijf jaar, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van de ar

Het Arbeidshof van Brussel oordeelde van wel. De zaak handelde over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van een werknemer die contractbreuk had ingeroepen in hoofde van zijn werkgever. De werkgever beweerde dat de werknemer zich ten onrechte op contractbreuk had beroepen en, bijgevolg, dat de werknemer zelf een einde had gesteld aan zijn arbeidsovereenkomst. De werkgever stelde ook een tegeneis in tegen de werknemer omdat deze inmiddels voor de concurrentie werkte, in strijd met het niet-concurrentiebeding in zijn arbeidsovereenkomst. De werkgever vorderde enerzijds de terugbetaling van de vergoeding die hij had betaald om zich op het concurrentiebeding te kunnen beroepen en anderzijds een schadevergoeding wegens schending van het concurrentiebeding.
Het Arbeidshof oordeelde dat de werknemer terecht contractbreuk had ingeroepen, zodat de arbeidsovereenkomst werd beëindigd door toedoen van de werkgever. Deze conclusie had ook implicaties voor de tegeneis van de werkgever m.b.t. het niet-concurrentiebeding. Een niet-concurrentiebeding heeft immers geen uitwerking in geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever (zonder dringende reden), zodat de werkgever uiteraard geen recht had op een schadevergoeding.
Wat gebeurt er dan met de vergoeding die de werkgever had betaald in het kader van het niet-concurrentiebeding? Het Arbeidshof aanvaardde dat de werkgever in principe de terugbetaling kan eisen, met die verstande dat zijn vordering tijdig moet worden ingesteld. In dit geval was er op 10 augustus 2000 een einde gekomen aan de arbeidsovereenkomst. De werkgever stelde zijn tegeneis m.b.t. de niet-concurrentievergoeding pas in op 28 juni 2002. Dit was te laat volgens de werknemer, die beweert dat de vordering moest worden ingesteld binnen het jaar na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De werkgever verweerde zich door te stellen dat zijn vordering pas was ontstaan na het einde van de arbeidsovereenkomst, zodat er geen toepassing mag worden gemaakt van de éénjarige verjaringstermijn, zoals vermeld in de Arbeidsovereenkomstenwet. Het Arbeidshof volgde echter de redenering van de werknemer en besloot dat de tegeneis van de werkgever verjaard was.
Het arrest van het Arbeidshof was een bittere pil voor de werkgever: hij had een vergoeding betaald voor een niet-concurrentiebeding dat geen uitwerking had, zijn voormalige werknemer was naar de concurrentie en de betaalde vergoeding was hij kwijt…
De werkgever bracht de zaak voor het Hof van Cassatie. In een arrest van 11 december 2006 bevestigde het Hof van Cassatie dat de éénjarige verjaringstermijn, zoals vermeld in de Arbeidsovereenkomstwet, van toepassing is op een vordering wegens schending van een niet-concurrentiebeding. In tegenstelling tot het Arbeidshof oordeelde het Hof van Cassatie echter dat de vordering van de werkgever niet te laat werd ingesteld. Volgens het Hof van Cassatie begint de éénjarige verjaringstermijn niet te lopen vanaf het einde van de arbeidsovereenkomst, maar wel vanaf het verstrijken van de periode tijdens dewelke het concurrentieverbod van toepassing is. In dit geval had het concurrentieding – hoewel het geen uitwerking had – in principe betrekking op een periode van 12 maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst (d.w.z. tot 10 augustus 2001). De vordering van de werkgever, ingesteld op 28 juni 2002, werd dus wel ingesteld binnen de verjaringstermijn van één jaar, tot grote opluchting van de werkgever…

images
images

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen