< Terug naar overzicht

Waar betaalt u sociale zekerheid met een Europese E101-verklaring op zak?

Het bevoegde orgaan van een lidstaat geeft in een grensoverschrijdende tewerkstellingssituatie een E101-verklaring (inmiddels een A1-formulier) af om te bevestigen dat een werknemer onderworpen is aan zijn sociale zekerheid. Geldt die regeling nog als de werkomstandigheden niet overeenstemmen met de voorwaarden om onderworpen te zijn aan de sociale zekerheid van de andere lidstaat?

De Europese regelgeving hanteert als basisprincipe dat een werknemer slechts aan de sociale zekerheid van één land onderworpen is én in principe is dat de werkstaat. Op deze regel bestaan echter enkele uitzonderingen, met name voor werknemers die gedetacheerd worden of wanneer werknemers in twee of meer lidstaten werken.

Met een E101-verklaring (nu een A1-formulier) levert het bevoegde orgaan van een lidstaat bij een grensoverschrijdende tewerkstellingssituatie het bewijs dat een werknemer onderworpen is aan zijn sociale zekerheid. Het Europees Hof van Justitie heeft eerder al geoordeeld dat dergelijke E101-verklaringen zowel het bevoegde orgaan als de rechterlijke instanties van de lidstaat van ontvangst binden.

Voor het nieuwe arrest dat het Hof van Justitie op 27 april 2017 (C-620/15) gaf, luidde de vraag of deze bindende werking ook geldt wanneer het bevoegde orgaan of de rechterlijke instantie van de lidstaat van ontvangst vaststelt dat de omstandigheden waaronder de werknemer werkt, niet overeenstemmen met de voorwaarden om onderworpen te zijn aan de sociale zekerheid van de andere lidstaat. Wat werd er beslist (en waarom)?

De feiten: cruiseschepen in Frankrijk

De feiten die aan het geschil ten grondslag lagen: de onderneming A-Rosa met zetel in Duitsland exploiteert twee cruiseschepen die uitsluitend in Frankrijk varen en waarop respectievelijk 45 en 46 seizoenarbeiders uit andere lidstaten dan Frankrijk hotelwerkzaamheden uitvoeren. Daarnaast heeft A-Rosa een filiaal in Zwitserland, dat verantwoordelijk is voor het beheer van alle operationele, juridische en met de exploitatie verband houdende aspecten van de schepen en het personeelsbeheer.

De seizoenarbeiders waren onderworpen aan de Zwitserse sociale zekerheid. De Zwitserse bevoegde autoriteiten hadden hiertoe E101-verklaringen afgegeven op grond van de onder de oude Verordening 1408/71 (die nu door de Verordening 883/2004 is vervangen) bestaande uitzonderingsregel voor varend personeel dat in verscheidene lidstaten werkt voor een internationale transportonderneming.

Activiteiten alleen op Frans grondgebied

Ondanks dit E101-formulier, vorderden de Franse sociale-zekerheidsautoriteiten achterstallige Franse sociale-zekerheidsbijdragen. A-Rosa trok hiermee naar de Franse rechtbank, maar werd in het ongelijk gesteld, gezien de rechtbank van oordeel was dat de activiteit volledig op het Franse grondgebied was uitgevoerd, en daar op vaste, stabiele en voortgezette wijze werd uitgeoefend. A-Rosa ging hiertegen in beroep.

De Franse bevoegde autoriteiten hadden eveneens aan de Zwitserse bevoegde autoriteiten verzocht om de E101-verklaringen in te trekken. De Zwitserse bevoegde autoriteiten hadden erkend dat de werknemers niet onder de uitzonderingsregel vielen, gezien ze hun werkzaamheden uitsluitend op het Franse grondgebied uitvoerden. Ze deelden de Franse autoriteiten mee dat ze A-Rosa hierop attent hadden gemaakt, maar trokken de E101-verklaringen niet in. Verder vroegen zij de Franse autoriteiten om geen sociale-zekerheidsbijdragen met terugwerkende kracht te vorderen.

Prejudiciële vraag

Na in hoger beroep in het ongelijk te zijn gesteld, stelde A-Rosa cassatieberoep in bij het Franse Hof van Cassatie. Deze laatste stelde een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie, meer bepaald of de E101-verklaringen bindend zijn voor de lidstaat waar de werkzaamheden worden uitgevoerd indien de voorwaarden waaronder de werknemer zijn activiteit uitoefent, kennelijk niet binnen de materiële werkingssfeer van de uitzonderingsbepaling valt.

De beslissing

Het Hof van Justitie bevestigt zijn vroegere rechtspraak en oordeelt dat ook wanneer de werknemer kennelijk niet aan de voorwaarden voldoet om onder de uitzonderingsbepaling te vallen, de E101-verklaring bindend blijft.

Een lidstaat kan dus niet zomaar een E101-verklaring naast zich neerleggen wanneer hij vaststelt dat niet aan de toekenningsvoorwaarden voldaan is. De verklaring is bindend tot het bevoegde orgaan dat de verklaring heeft afgegeven ze opheft of intrekt. Dit steunt volgens het Hof van Justitie op de verplichting van loyale samenwerking tussen de lidstaten en komt de rechtszekerheid ten goede.

Ook de Belgische autoriteiten zijn dus gebonden door de E101-verklaringen (en bij uitbreiding de A1-formulieren) die afgeleverd zijn door de bevoegde organen van andere lidstaten. Ze kunnen deze niet zomaar naast zich neerleggen en de betrokken werknemers aan de Belgische sociale zekerheid onderwerpen. Wanneer ze vaststellen dat de formulieren onterecht zijn afgeleverd, moeten ze eerst de procedure op Europees vlak volgen om de intrekking of opheffing van de formulieren te verkrijgen.

Auteurs: Charlotte Pieters en Sophie Maes (Claeys & Engels)

 


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen