< Terug naar overzicht

Voorlopige werkloosheidsuitkeringen gaan gepaard met verplichtingen

Een ontslagen werknemer kan in bepaalde gevallen voorlopige werkloosheidsuitkeringen krijgen van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. De toekenning van deze voorlopige uitkeringen is echter gekoppeld aan bepaalde voorwaarden. Uit recente rechtspraak

Een werknemer die wordt ontslagen zonder opzegtermijn of opzegvergoeding (of met een te lage opzegvergoeding) kan eventueel voorlopige werkloosheidsuitkeringen verkrijgen van de RVA gedurende de periode die normaal zou gedekt zijn door de verschuldigde opzegvergoeding. Voorwaarde is wel dat de werknemer zich ertoe verbindt een rechtsvordering in te stellen tegen zijn voormalige werkgever. Indien de werkgever dan wordt veroordeeld tot betaling van een opzegvergoeding is de ontslagen werknemer verplicht de genoten voorlopige werkloosheidsuitkeringen terug te betalen aan de RVA.
Volgens de RVA volstaat het niet dat een ontslagen werknemer overgaat tot dagvaarding van zijn voormalig werkgever. Een werknemer die na de dagvaarding geen enkele interesse meer betoont voor het verdere verloop van de procedure, miskent zijn verplichtingen ten aanzien van de RVA. Om die reden besliste de RVA dat een ontslagen werkneemster de voorlopige werkloosheidsuitkeringen (die zij jaren geleden had ontvangen) moest terugbetalen. De werkneemster had tijdig haar voormalige werkgever gedagvaard, maar had daarna niets meer ondernomen opdat de arbeidsrechtbank uitspraak zou kunnen doen over haar vordering. De zaak had jarenlang op de bijzondere rol gestaan, zonder dat er enig initiatief werd genomen om de zaak in staat te stellen.
De werkneemster betwistte de beslissing van de RVA en bracht de zaak voor de arbeidsrechtbank. De arbeidsrechtbank volgde echter de redenering van de RVA en veroordeelde de werkneemster tot terugbetaling van de ontvangen voorlopige werkloosheidsuitkeringen. Deze beslissing werd recent ook bevestigd door het Arbeidshof van Bergen.
Hoewel de reglementering enkel stelt dat een ontslagen werknemer gehouden is een vordering in te stellen tegen zijn voormalige werkgever, oordeelde het Arbeidshof dat er tevens kan worden geëist dat de werknemer daadwerkelijk het nodige doet opdat de arbeidsrechtbank uitspraak zou kunnen doen over de ingestelde vordering. Het Arbeidshof steunde zich daarbij op de parlementaire voorbereidingen, waaruit blijkt dat er van de ontslagen werknemer een zekere interesse kan worden geëist m.b.t. de ingestelde vordering, om te vermijden dat de kosten voor de opzegvergoeding – in principe verschuldigd door de voormalige werkgever – ten laste zou worden gelegd van de gemeenschap. Verder verwees het Arbeidshof naar de verplichting in hoofde van de ontslagen werknemer om de overeenkomst met de RVA te goeder trouw uit te voeren. Volgens het Arbeidshof bestaat deze ‘overeenkomst’ enerzijds uit de eenzijdige verbintenis van de werknemer – om een rechtsvordering in te stellen tegen de voormalige werkgever en desgevallend om de voorlopige uitkeringen terug te betalen aan de RVA – en anderzijds uit de daaropvolgende beslissing van de RVA over de toekenning van de voorlopige uitkeringen. De ontslagen werknemer moet deze overeenkomst te goeder trouw uitvoeren. Dit impliceert dat hij een minimum aan inzet en interesse betoont opdat er binnen een redelijke termijn een gerechtelijke beslissing zou worden genomen.

images
images

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen