< Terug naar overzicht

Verjaringsregels aanvullende pensioenen: wordt er nog wijn uit oude vaten gedronken?

De arbeidsrechtbank van Gent (afdeling Dendermonde) moest oordelen over de vordering van een voormalige werknemer tot schadevergoeding wegens de stopzetting van de werkgeversbijdragen in een groepsverzekering sedert 1996.

Nadat de werknemer de wettelijke pensioenleeftijd bereikte en zijn arbeidsovereenkomst met de werkgever werd beëindigd met het oog op het verkrijgen van zijn wettelijk pensioen, leidde de werknemer op 9 november 2016 een procedure in bij dagvaarding. In het vonnis oordeelt de arbeidsrechtbank dat de vordering niet tijdig werd ingesteld, en dus verjaard is, waardoor zij de inhoud van de vordering niet meer ten gronde hoefde te beoordelen.

De ratio achter de rechtsregels inzake verjaring is de rechtszekerheid. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat procedures zonder enige beperking in de tijd kunnen worden ingeleid op basis van feiten die zich situeren in een ver verleden. Verjaringsregels zijn in de praktijk dus van groot belang, omdat zij ervoor kunnen zorgen dat een vordering niet meer inhoudelijk zal worden beoordeeld door de rechtbank (of het hof) omdat er wordt geoordeeld dat zij te laat werd ingesteld.

Oude verjaringsregels niet in de vuilnisbak

Sinds de inwerkingtreding van artikel 55 van de Wet betreffende de Aanvullende Pensioenen (hierna: WAP) op 29 juni 2014, zijn de verjaringsregels inzake aanvullende pensioenen gewijzigd en is er sprake van een eenvormige verjaringstermijn van vijf jaar inzake aanvullende pensioenen. Dit wil echter niet zeggen dat de oude verjaringsregels in de vuilnisbak zijn beland en geen toepassing meer vinden. Om de toepasselijke verjaringsregels te kunnen bepalen, moet er sinds de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 55 WAP in feite een dubbele analyse worden gemaakt:

  • Was de zaak al verjaard onder gelding van het oude recht?
  • Zo neen, is de zaak verjaard onder artikel 55 WAP?

Dit is ook de analyse die de arbeidsrechtbank in deze zaak heeft gemaakt. Bijgevolg ging zij in eerste instantie na of de vordering van de werknemer reeds verjaard was op 29 juni 2014. Op grond van de oude verjaringsregels wordt aangenomen dat vorderingen die een werknemer instelt tegen een werkgever in verband met een aanvullend pensioen, vorderingen zijn die uit de arbeidsovereenkomst zijn ontstaan en dus vallen onder de een- of vijfjarige termijn zoals bepaald in artikel 15, eerste lid Arbeidsovereenkomst.

Dergelijke vorderingen moeten met andere woorden worden ingesteld binnen het jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst of binnen de vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder ooit langer te mogen zijn dan één jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst. Wanneer het specifiek gaat om een vordering wegens het niet betalen van de bijdragen voor een groepsverzekering van een type vaste bijdragen is de toepasselijke verjaringstermijn vijf jaar, te rekenen vanaf het feit waaruit de vordering is ontstaan (en zonder dat deze termijn langer mag zijn dan één jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst).

Als men deze regels toepast op de vordering in kwestie, stelt de arbeidsrechtbank het volgende vast:

  • De vordering is ontstaan uit de stopzetting van de werkgeverbijdragen in de groepsverzekering sedert 1996.
  • De werknemer was sedert 1996 op de hoogte van het feit dat er geen werkgeversbijdragen meer werden gestort in de groepsverzekering.
  • De verjaringstermijn van artikel 15 Arbeidsovereenkomstenwet werd niet gestuit (dit wil zeggen onderbroken) overeenkomstig de regels van het Burgerlijk Wetboek.

Conclusie

De arbeidsrechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de vordering, die is ontstaan uit de stopzetting van de werkgeversbijdragen in de groepsverzekering sedert 1996, op basis van artikel 15 Arbeidsovereenkomstwet, duidelijk verjaard is. De werknemer had ten laatste in 2001 moeten dagvaarden.

Aangezien de zaak al verjaard is op grond van de oude verjaringsregels, is het tweede deel van de analyse niet meer nodig en vinden de nieuwe verjaringsregels in casu geen toepassing. Ondanks de nieuwe verjaringsregels inzake aanvullende pensioenen zijn de oude rechtsregels, rechtspraak en rechtsleer dus nog zeer actueel en relevant.

Arbeidsrechtbank van Gent (afdeling Dendermonde), 7 november 2017, AR 16/2333/A

Auteur: Anouk De Rijck (Claeys & Engels)

 


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen