< Terug naar overzicht

Verjaring en aanvullende pensioenen: hoe zit het precies?

Rechtspraak en rechtsleer zijn verdeeld over de vraag naar de verjaring inzake aanvullende pensioenen, enerzijds wat betreft de duur van de verjaringstermijn en anderzijds wat betreft het vertrekpunt van de verjaringstermijn. Het Hof van Cassatie velde re

Inzake de duur van de verjaringstermijn bestaat er discussie of de termijn van één jaar (op basis van artikel 15 van de wet op de arbeidsovereenkomsten) of een termijn van tien jaar (krachtens het Burgerlijk Wetboek) moet worden toegepast. Ook over het aanvangspunt van de verjaringstermijn bestaat er onduidelijkheid: vanaf de uitdiensttreding van de werknemer of vanaf het ontstaan van het recht op prestaties?
Het Hof van Cassatie sprak zich in een arrest van 13 november 2006 uit over de toepasselijke verjaringstermijn met betrekking tot een individuele pensioentoezegging.
In deze zaak had het Arbeidshof te Antwerpen geoordeeld dat de vordering haar oorsprong vond in de arbeidsovereenkomst, zodat de verjaringstermijn van één jaar, bedoeld in artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet, van toepassing is.
Het Hof van Cassatie kon hiermee akkoord gaan en bevestigde dat een vordering met betrekking tot een dergelijke pensioentoezegging moet worden ingeleid binnen het jaar na de datum waarop het kapitaal opeisbaar wordt, zoals gedefinieerd in de toezegging (in de praktijk is deze datum van opeisbaarheid vaak de eerste maand volgend op de 60ste of de 65ste verjaardag van de werknemer). Het Hof van Cassatie verwees hierbij naar de bepalingen van artikel 2257 van het Burgerlijk Wetboek volgens dewelke de verjaring niet loopt ten aanzien van een schuldvordering die op een bepaalde dag vervalt, zolang die dag niet is verschenen.

images
images

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen