< Terug naar overzicht

Verjaring binnen aanvullende pensioenen: duister licht aan einde van tunnel

De verjaringsproblematiek binnen de aanvullende pensioenen is een heikel punt. Dat mocht ook een werkneemster ondervinden, die van 1972 tot 27 juni 2010 als bediende tewerkgesteld was bij een vzw. De werkneemster was met de vzw verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur en werd aangesloten bij een groepsverzekering die de vzw op 1 januari 1994 had afgesloten bij Apra Leven.

Op 27 juni 2010 nam de arbeidsovereenkomst van de werkneemster een einde en trad zij toe tot het toenmalige stelsel van conventioneel brugpensioen, waardoor er sprake was van een uittreding uit de groepsverzekering.

Terwijl de werkneemster van haar brugpensioen aan het genieten was, werd de vergunning van Apra Leven op 4 maart 2011 ingetrokken en werd de vennootschap in vereffening gesteld. De werkneemster werd hiervan een eerste keer op de hoogte gebracht per brief van 10 maart 2011.

Vervolgens werd zij door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA) op 12 februari 2012 geïnformeerd over de gevolgen van deze in vereffeningstelling op haar aanvullend pensioen, waarbij haar werd uitgelegd dat de verkoop van de bezittingen van Apra Leven niet voldoende zou opleveren om iedereen uit te betalen.

Hierop reageerde de vakbond van de werkneemster met een brief van 6 maart 2012, waarbij zij de vzw in gebreke stelde om over te gaan tot de betaling van het aanvullend pensioenkapitaal waarop zij recht heeft. Na wat briefwisseling heen en weer, diende de werkneemster op 21 maart 2013 uiteindelijk een verzoekschrift in bij de arbeidsrechtbank. Zij verzocht de vzw te veroordelen tot betaling van 50.000 euro provisioneel ten titel van de in artikelen 24 en 30 van de Wet op de Aanvullende Pensioenen (WAP) voorziene minimum rendementsgarantie.

Te vroeg bij arbeidsrechtbank, te laat bij Arbeidshof

Haar vordering werd door de arbeidsrechtbank afgewezen, wegens een gebrek aan belang, aangezien zij nog geen aanspraak kon maken op een pensioenkapitaal ingevolge de pensioentoezegging. De werkneemster kon hier volgens de arbeidsrechtbank pas aanspraak op maken bij het bereiken van de pensioenleeftijd van 65 jaar. Zij was met andere woorden te vroeg met haar vordering.

Tegen deze beslissing ging de werkneemster vervolgens in hoger beroep. Tevergeefs, want volgens het Arbeidshof was de werkneemster… te laat! Het Arbeidshof oordeelde dat haar vordering verjaard was, aangezien deze strekkend tot betaling van de minimum rendementsgarantie gesteund op basis van de artikelen 24 en 30 van de WAP een vordering is die uit de arbeidsovereenkomst is ontstaan, waarop de eenjarige verjaringstermijn van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet van toepassing was.

Volgens het Arbeidshof situeert de verplichting van de werkgever tot aanzuivering van de verworven reserves met de minimum rendementsgarantie - op basis van artikel 30 van de WAP zoals dat van toepassing was vóór de wetswijziging van 15 mei 2014 - zich op het ogenblik van de uittreding. Het ogenblik van de uittreding (het einde van de arbeidsovereenkomst op 27 juni 2010) is volgens het Arbeidshof met andere woorden het tijdstip waarop de verjaring begint te lopen. De werkneemster stelde haar vordering pas in met een verzoekschrift van 21 maart 2013, hetzij meer dan een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst, waardoor de vordering was verjaard.

Opmerkelijk hierbij, is dat de verjaring bijgevolg al zou zijn beginnen te lopen, vooraleer de werkneemster kennis kreeg van de in vereffening stelling van de NV Apra Leven.

Op tijd volgens Hof van Cassatie

Onder het motto ‘derde keer, goede keer’ trok de werkneemster naar het Hof van Cassatie. Het Hof volgde het Arbeidshof niet en oordeelde dat uit artikel 30 van de WAP volgt dat de verplichting van de werkgever tot aanzuivering van de tekorten van de verworven reserves, alsook van de tekorten ten opzichte van de minimum rendementsgarantie uit artikel 24 van de WAP, niet eindigt op het ogenblik van de uittreding van een werknemer, maar blijft voortduren tot:

  • het ogenblik dat de verworven reserves worden overgedragen, of bij afwezigheid daarvan
  • tot de pensionering, of
  • tot de opheffing van de pensioentoezegging.

Het Hof van Cassatie oordeelt bijgevolg dat de verjaring van een tegen de werkgever ingestelde vordering tot aanzuivering slechts begint te lopen vanaf de dag waarop de aanzuiveringsplicht van de werkgever een einde neemt, d.i. op datum van een van de drie hiervoor vermelde ogenblikken. De werkneemster maakt dus nog steeds een kans.

Arbrb. Antwerpen, 5 november 2013, AR 12/6289/A
Arbh. Antwerpen, afdeling Antwerpen, 16 februari 2015, 2014/AA/125
Cass. 8 oktober 2018, S.16.0032.N

Frederic Vandebroek
Advocaat-medewerker
Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen