< Terug naar overzicht

Verhaalbaarheid van erelonen van advocaten: wettelijke regeling op komst?

Komt er binnenkort een einde aan de rechtsonzekerheid over de verhaalbaarheid van de kosten van een advocaat? In een recent arrest gaf het Arbitragehof alvast een niet mis te verstaan signaal ten aanzien van de Belgische wetgever.

Sinds het alom bekende cassatiearrest van 2 september 2004 is er al veel inkt gevloeid over de verhaalbaarheid van erelonen van advocaten. In dit cassatiearrest werd voor het eerst erkend dat de ‘winnende partij’ de erelonen en kosten van haar advocaat in bepaalde gevallen op de verliezende partij kan verhalen. Het Hof van Cassatie oordeelde dat “het honorarium en de kosten van een advocaat of een technisch raadsman die de benadeelde van een contractuele fout heeft betaald, een vergoedbaar element van zijn schade kunnen vormen, in zoverre zij een noodzakelijk gevolg zijn van het niet-uitvoeren van de overeenkomst”. In een arrest van 16 november 2006 oordeelde het Hof van Cassatie vervolgens dat “het honorarium en de kosten van een advocaat die de benadeelde van een buitencontractuele fout heeft betaald, een te vergoeden bestanddeel van zijn schade kunnen uitmaken, in zoverre zij noodzakelijk zijn om de benadeelde de mogelijkheid te bieden om zijn rechten op vergoeding van zijn schade te doen gelden”.
Deze arresten van het Hof van Cassatie vormden enerzijds een doorbraak geweest in de rechtspraak, doch gaven anderzijds ook aanleiding tot heel wat vragen en discussies.  Zo is er discussie mogelijk over de interpretatie van het begrip ‘noodzakelijk gevolg’. Verder is er nog het feit dat de verhaalbaarheid van erelonen van advocaten wél uitdrukkelijk is geregeld in de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties terwijl er, buiten de toepassing van deze wet, nog steeds geen algemene wettelijke regeling bestaat. Dit laatste bracht een Antwerpse vrederechter ertoe een ‘prejudiciële vraag’ te stellen aan het Arbitragehof. De vrederechter vroeg zich af of er sprake is van discriminatie wat betreft de verhaalbaarheid van de kosten van een advocaat, wanneer men de situatie vergelijkt van een burger die handelstransacties voert – en die een tussenkomst kan verkrijgen in zijn advocaatkosten volgens de criteria van de wet op de betalingsachterstand – met deze van een burger die niet onder de toepassing valt van deze wet en die zich niet kan beroepen op een gemeenrechtelijke regeling, aangezien deze tot op heden niet is voorzien.
Het Arbitragehof beantwoordde deze prejudiciële vraag in een arrest van 17 januari 2007. Het benadrukte vooreerst dat het aan de wetgever toekomt te oordelen op welke wijze en in welke mate de verhaalbaarheid van de kosten en honoraria van een advocaat moet worden georganiseerd. Het Hof oordeelde evenwel dat de huidige situatie, met name het ontbreken van een wettelijke regeling betreffende de terugbetaling van de kosten en honoraria van de advocaat voor burgers die niet onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, inderdaad het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en non-discriminatiebeginsel schendt. De discriminatie zit dus niet vervat in de wet betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, maar wél in het ontbreken van een algehele wettelijke regeling.
Bovenvermeld arrest van het Arbitragehof is het zoveelste signaal naar de wetgever om dringend werk te maken van een algemene regeling inzake de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van de advocaten. We zijn benieuwd of dit arrest de molen van onze wetgever wat sneller kan doen draaien…

images
images

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen