< Terug naar overzicht

Valt aanvullende opzeggingsvergoeding weg bij tegenopzegging?

Vervalt het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding bij het doen van een tegenopzegging?

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie ontstaat het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding (wegens een te korte opzeggingstermijn) op het ogenblik van de kennisgeving van de opzegging. Latere gebeurtenissen hebben volgens het Hof in principe geen invloed op dat recht, behalve in het geval van een ontslag om dringende reden. De werknemer die zich gedurende de opzeggingstermijn schuldig maakt aan een ernstige tekortkoming die een ontslag om dringende reden rechtvaardigt, verliest het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding.

Maar wat gebeurt er als de werknemer (die meent recht te hebben op een aanvullende opzeggingsvergoeding) vervolgens zelf een tegenopzegging betekent ten einde de arbeidsovereenkomst voortijdig te beëindigen? Vervalt ook in dat geval het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding?

Te korte opzeggingstermijn

In een recente zaak werd er aan een werkneemster een opzeggingstermijn van 6 maanden betekend. Tijdens de duur van deze opzeggingstermijn betekende zij zelf een tegenopzegging. Niettemin vorderde ze nadien nog de betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding ten belope van 5 maanden loon, aangezien de oorspronkelijk betekende opzeggingstermijn van 6 maanden volgens haar ontoereikend was.

Volgens de werkgever kon de werkneemster geen aanspraak maken op een aanvullende opzeggingsvergoeding als gevolg van de tegenopzegging. De werkgever meent zich hiervoor te kunnen baseren op een cassatiearrest waarin werd geoordeeld dat het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding tenietgaat wanneer de arbeidsovereenkomst niet langer eindigt door de opzegging met een te korte opzeggingstermijn, maar wel door een (terecht) ontslag om dringende reden.

Uit het feit dat dit cassatiearrest niet uitdrukkelijk herhaalt dat het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding (dat ontstaat vanaf de kennisgeving van het ontslag) niet wordt beïnvloed door latere gebeurtenissen, leidt de werkgever af dat dit arrest een kentering betekent in de vaste cassatierechtspraak. De werkgever interpreteert het cassatiearrest in die zin, dat het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding verdwijnt, telkens wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt wegens een andere reden dan de initiële opzegging (met een te korte opzeggingstermijn).

Zoek de reden

De arbeidsrechtbank van Antwerpen verduidelijkte dat uit de vaste cassatierechtspraak blijkt dat het antwoord op de vraag of een aanvullende opzeggingsvergoeding verschuldigd is bij een voortijdige beëindiging van een te korte opzeggingstermijn afhangt van de reden van de voortijdige beëindiging.

Het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding verdwijnt alleen bij een ontslag om dringende reden of wanneer afstand wordt gedaan van het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding. Uit het feit dat het bedoelde cassatiearrest niet expliciet vermeldt dat het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding niet kan worden beïnvloed door latere gebeurtenissen, leidt de werkgever ten onrechte af dat het Hof van Cassatie ook andere gevallen van beëindiging tijdens de te korte opzeggingstermijn heeft willen viseren (zoals de tegenopzegging). Het ingeroepen cassatiearrest kan volgens de arbeidsrechtbank dus niet geïnterpreteerd worden als een kentering in de rechtspraak van het Hof van Cassatie.

De betekening van een tegenopzegging door de werkneemster doet het recht op een aanvullende opzeggingsvergoeding dan ook niet teniet. De arbeidsrechtbank veroordeelde de werkgever bijgevolg tot de betaling aan de werkneemster van een aanvullende opzeggingsvergoeding.

Arbeidsrechtbank van Antwerpen, 9 januari 2014, AR 12/7685/A

 


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen