< Terug naar overzicht

Strijd tegen schijnzelfstandigheid gaat voort: let op het contract

Wanneer is iemand (schijn)zelfstandige? Vier criteria geven de doorslag: de wil van de partijen, de organisatie van de arbeidstijd, de organisatie van het werk en hiërarchische controle.

De problematiek van de schijnzelfstandigheid staat nog altijd in de schijnwerpers. De arbeidshoven en -rechtbanken moeten zich dan ook regelmatig buigen over deze problematiek. Zo diende het arbeidshof van Brussel zich onlangs nog uit te spreken over een zaak waarin de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) een zelfstandige samenwerking in vraag stelde. Naar aanleiding van dit dispuut, zette het arbeidshof de principes inzake schijnzelfstandigheid duidelijk op een rijtje.

‘Wilsautonomie’

Het arbeidshof verduidelijkt in eerste instantie dat de ‘wilsautonomie’ van de partijen het uitgangspunt blijft. Dit wil zeggen dat de partijen in principe vrij zijn in de keuze van hun samenwerkingsvorm: een samenwerking op zelfstandige basis of in dienstverband (met een arbeidsovereenkomst).

In de zaak voor het arbeidshof hadden de partijen duidelijk gekozen voor een zelfstandige amenwerking, meer bepaald voor het statuut van zelfstandig werkend vennoot.

Organisatie en controle

Vervolgens herhaalde het arbeidshof dat de keuze van de partijen (in casu: voor een zelfstandige samenwerking) niet ongenaakbaar is, in die zin dat deze toch opzij kan worden gezet wanneer uit de ‘feitelijke realiteit’ blijkt dat er elementen aanwezig zijn die onverenigbaar zijn met de gekozen samenwerkingsvorm.

Deze toets gebeurt aan de hand van vier algemene criteria: de wil van de partijen, de organisatie van de arbeidstijd, de organisatie van het werk en het al dan niet voorhanden zijn van een mogelijkheid tot hiërarchische controle. Indien aan de hand van een onderzoek van deze criteria blijkt dat de partijen niet vrij kunnen beschikken over hun arbeidstijd, hun werk niet vrij kunnen/mogen organiseren en/of dat ze onderworpen zijn aan een vorm van hiërarchische controle, dan zal de (schijn)zelfstandige samenwerking worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst.

Openingsuren naleven geen probleem

Het arbeidshof benadrukte in dit verband evenwel dat het in casu aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, als eisende partij, toekwam om het bewijs te leveren van de ‘onverenigbare elementen’ met e gekozen kwalificatie (zelfstandige samenwerking).

Het arbeidshof besloot in deze zaak dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid hier niet is in geslaagd, zodat de vordering diende te worden afgewezen. Uit de verhoren van de beide betrokken dames bleken volgens het arbeidshof geen ‘onverenigbare elementen’. Interessant om weten is dat het arbeidshof oordeelde dat de volgende concrete elementen niet ‘onverenigbaar’ zijn met een zelfstandige samenwerking: het feit dat de dames slechts een beperkt aantal aandelen bezaten, het eerder manuele karakter van hun prestaties, het feit dat dit voor de vennootschap een goedkopere manier van werken inhield en het feit dat zij de openingsuren van de zaak dienden na te leven.

Conclusie

Om het risico op schijnzelfstandigheid zoveel mogelijk te beperken, is het absoluut aangewezen om een degelijke schriftelijke overeenkomst te sluiten, waaruit een duidelijke keuze voor een zelfstandige samenwerking volgt. De gekozen kwalificatie vormt immers het vertrekpunt in geval van eventuele discussies. Een goed schriftelijk contract biedt helaas geen sluitende garantie indien het ‘zelfstandig karakter’ van de samenwerking niet weerspiegeld wordt in de dagelijkse praktijk.

Arbeidshof van Brussel, 4 september 2013, RG 2011/AB/1186

 


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen