< Terug naar overzicht

Sociaal-zekerheidsregime bij tewerkstelling in diverse EER-lidstaten: wat met ‘marginale tewerkstelling’?

Het Hof van Cassatie brengt in herinnering dat er zowel onder Verordening 1408/71, als onder Verordening 883/2004 geen rekening wordt gehouden met 'marginale activiteiten' bij de beoordeling van de vraag of een werknemer in diverse EER-lidstaten en/of Zwitserland werkt.

Een werknemer die tewerkgesteld is in de EER (*) en/of Zwitserland, is steeds slechts onderworpen aan één sociaal-zekerheidsregime. Om te beoordelen welk sociaal-zekerheidsregime van toepassing is, geldt als algemene regel in de huidige Verordening 883/2004 over het toepasselijk sociaal-zekerheidsstelsel bij tewerkstelling binnen de EU dat een werknemer onderworpen is aan de sociale zekerheid van de lidstaat waar de werknemer tewerkgesteld wordt (‘werkstaatprincipe’).

Op deze algemene regel gelden twee belangrijke uitzonderingen. Een eerste uitzondering is dat werknemers bij detachering onder bepaalde voorwaarden vanuit een andere EER-lidstaat of Zwitserland gedetacheerd kunnen worden naar België met behoud van hun buitenlandse sociale zekerheid. Een tweede uitzondering op deze algemene regel is de gelijktijdige tewerkstelling in meerdere EER-lidstaten en/of Zwitserland (hierna: ‘gelijktijdige tewerkstelling’).

Bij de vraag of een werknemer daadwerkelijk in meerdere lidstaten tewerkgesteld wordt, wordt er geen rekening gehouden met ‘marginale activiteiten’. Dit kon reeds afgeleid worden uit de tekst van Verordening 1408/71, vervangen door Verordening 883/2004, en wordt ook expliciet bepaald in de toepassingsverordening bij de huidige Verordening 883/2004 (**).

Wat zijn ‘marginale activiteiten’?

Welke activiteiten er precies als ‘marginaal’ begrepen moeten worden, wordt niet bepaald in de Europese wetgeving. De Europese Administratieve Commissie voor de coördinatie van de sociale-zekerheidssystemen (hierna: Administratieve Commissie) interpreteert dit concept verder, en stelt dat een activiteit marginaal is wanneer deze in verhouding tot de totale arbeidsduur minder dan 5 procent inneemt en/of wanneer deze minder dan 5 procent van het totale loon van de werknemer uitmaken.

Volgens de Administratieve Commissie kan ook de aard van de werkzaamheden een indicatie zijn dat het marginale werkzaamheden betreft, bijvoorbeeld omdat het om werkzaamheden gaat die van ondersteunende aard zijn, die afhankelijk en enkel in functie van een andere hoofdactiviteit wordt uitgeoefend. Marginale activiteiten moeten nog volgens de Administratieve Commissie voor elke lidstaat afzonderlijk beoordeeld worden en kunnen niet worden samengeteld.

Als principe kan dus gesteld worden dat er slechts sprake kan zijn van gelijktijdige tewerkstelling in meerdere lidstaten wanneer de werknemer minstens 5 procent van zijn totale arbeidstijd of van zijn totaal loon in één andere lidstaat werkt. Bij gebrek hieraan zal er geen sprake van gelijktijdige tewerkstelling zijn, en geldt het algemeen werkstaatprincipe.

Hof van Cassatie

In zijn arrest van 18 juni 2017 brengt het Hof van Cassatie in herinnering dat er bij de beoordeling van gelijktijdige tewerkstelling geen rekening mag worden gehouden met marginale activiteiten van de werknemer. Meer bepaald oordeelt het Hof van Cassatie dat, niet alleen onder de huidige Verordening 883/2004, maar ook onder de vroegere Verordening 1408/71, een werknemer enkel kan worden beschouwd als een persoon die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst verricht (en dus onder het toepassingsgebied van voornoemde Verordeningen valt) indien hij gewoonlijk werkzaamheden in loondienst verricht op het grondgebied van meerdere lidstaten.

Dit houdt in dat hij in die meerdere lidstaten doorgaans activiteiten van betekenis verricht en dus geen activiteiten met slechts een marginale betekenis. In casu oordeelt het Hof van Cassatie dat in het arrest waartegen cassatieberoep aangetekend werd, er naar recht geoordeeld werd dat er geen bewijs werd neergelegd dat er effectief sprake zou zijn van gelijktijdige tewerkstelling.

Het arrest van het Hof van Cassatie brengt aldus in herinnering dat er bij de beoordeling van een gelijktijdige tewerkstelling voor sociale-zekerheidsdoeleinden geen rekening gehouden mag worden met ‘marginale activiteiten’ van de werknemer in EU-lidstaten.

(*) EER staat voor de Europese Economische Ruimte. Daartoe behoren alle 28 lidstaten van de Europese Unie, aangevuld met Liechtenstein, IJsland en Noorwegen.

(**) Tot en met 30 april 2010 was Verordening 1408/71 van toepassing, waarbij er evenwel een overgangsregeling van 10 jaar van toepassing is.

Hof van Cassatie, AR P.14.1858.N, 18 april 2017

Auteur: Annabelle Truyers (Claeys & Engels)

 


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen