< Terug naar overzicht

Schijnzelfstandigheid blijft een hot topic

Hoewel er inmiddels een wetsontwerp op tafel ligt, is er vandaag de dag nog altijd geen wet van kracht die het probleem van de schijnzelfstandigheid regelt. Voorlopig zijn we dus nog aangewezen op de rechtspraak om uit te maken of iemand al dan niet een

Bij de vraag of iemand werknemer dan wel zelfstandige is, moet men vertrekken van het door de partijen gekozen statuut en moet men nagaan of de feitelijke gegevens dit statuut tegenspreken. Wanneer de partijen hun overeenkomst gekwalificeerd hebben als een overeenkomst van zelfstandige samenwerking en bij ontstentenis van een tegen deze kwalificatie ingaand wettelijk vermoeden, is het bewijs van een gezagsrelatie niet geleverd, wanneer de door de rechter vastgestelde feiten evenzeer wijzen op de uitvoering van zelfstandige arbeid en daarmee niet onverenigbaar zijn (Arbeidshof Brussel, 7 april 2005).

Deze rechtspraak – die de bekende ‘kwalificatiearresten’ van het Hof van Cassatie bevestigt – heeft als gevolg dat het minder gemakkelijk is geworden om een overeenkomst door de rechter te laten herkwalificeren indien de partijen duidelijk hebben gekozen voor een bepaalde kwalificatie. Dit betekent echter niet dat een herkwalificatie van de overeenkomst onmogelijk is geworden.

Dit laatste blijkt uit een recent arrest van het Hof van Cassatie waarin de principes concreet worden toegelicht. In zijn arrest van 22 mei 2006 bevestigde het Hof van Cassatie een arrest van het Arbeidshof van Brussel van 28 juni 2001, waarin het Arbeidshof had geoordeeld dat het toekennen van aandelen aan een (schijn)zelfstandige medewerker niet belet dat de samenwerking door de rechter wordt gekwalificeerd als ‘arbeidsovereenkomst’. Het Hof van Cassatie herhaalde eerst het basisprincipe, namelijk dat een overeenkomst slechts kan worden geherkwalificeerd indien de rechter bepaalde elementen heeft vastgesteld die onverenigbaar zijn met de door de partijen gekozen kwalificatie. Vervolgens onderzocht het Hof van Cassatie of het Arbeidshof te Brussel, op basis van de vastgestelde elementen, terecht overging tot herkwalificatie. Het Arbeidshof had daarbij rekening gehouden met onder meer de volgende feitelijke elementen:

- de arbeidsvoorwaarden van de medewerkers/aandeelhouders werden eenzijdig opgelegd door de vennootschap, via dienstnota’s enz.

- er werden vergaderingen gehouden om de directie toe te laten haar instructies te geven aan de medewerkers/aandeelhouders

- de opdrachten en de arbeidsregelingen van de medewerkers werden eenzijdig vastgelegd door de directie van de vennootschap

- de medewerkers/aandeelhouders mochten geen vakantie nemen zonder voorafgaand akkoord van de directie

- bepaalde facturen van de medewerkers werden opgesteld door de vennootschap

- de medewerkers mochten niet vrij beslissen over hun aan- of afwezigheid op het werk

- alle medewerkers in kwestie waren ingeschakeld in een bepaalde arbeidsorganisatie (meerbepaald als aandeelhouder van de vennootschap), die volledig werd ontworpen door en voor de vennootschap

- geen enkele medewerker/aandeelhouder gedroeg zich ten aanzien van de vennootschap als een ‘echte zelfstandige’ in die zin dat hij/zij de risico’s liep van een zelfstandig ondernemer.

Het Hof van Cassatie oordeelde dat deze feitelijke elementen, wanneer zij allen samen worden beoordeeld, onverenigbaar zijn met een zelfstandige samenwerking zodat het Arbeidshof van Brussel wel degelijk kon beslissen de overeenkomsten met de medewerkers te herkwalificeren als arbeidsovereenkomsten.


images

images

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen