< Terug naar overzicht

RSZ verliest pleit wegens gebrek aan bewijs: verhoor van ‘dwalende’ werkgever is onvoldoende

Een werkgever die zijn werknemers met fooigeld betaalt, kreeg het aan de stok met de RSZ na een controle door de sociale inspectie. De RSZ beweerde dat de werkgever de lonen op een verkeerde manier had aangegeven en vorderde een fikse som aan achterstalli

De werkgever had de lonen overeenkomstig de specifieke RSZ-wetgeving aangegeven op basis van dagforfaits die door de overheid worden vastgelegd. Bij een controle werd hierover een opmerking gemaakt. De inspectie (Toezicht op de Sociale Wetten) beweerde dat de werkgever het baremieke uurloon moest betalen.

Er gebeurde na de controle een aanpassing op de individuele rekeningen van de betrokken werknemers. In de praktijk werden de werknemers wel verder betaald aan de hand van fooigeld, en dus via het dagforfait aan de RSZ aangegeven. Tijdens deze eerste controle werd niemand van de werknemers ondervraagd.

Andere inspectie


Een jaar later komt een tweede inspectiedienst (deze keer de sociale inspectie) langs, die beweerde, op basis van de aanpassingen op de individuele rekeningen, dat de werkgever ten onrechte de aangiftes had gedaan via de dagforfaits voor fooigeld. De werkgever moest volgens de sociale inspectie het uurloon vanop de individuele rekening aangeven, met hogere RSZ-bijdragen tot gevolg.

De zaakvoerster werd tot driemaal toe verhoord en volgde in haar verhoor – wellicht te makkelijk – de zienswijze van de innemende inspecteur. Zij kondigde in haar verhoor een regularisatie aan voor de betrokken RSZ-kwartalen. Voor de kwartalen ervoor en erna werd wel aanvaard dat met fooigeld werd betaald en, bijgevolg, dat de RSZ-aangifte (opnieuw) met het dagforfait mocht gebeuren. Ook naar aanleiding van deze controle werd echter niemand van de betrokken werknemers ondervraagd.

Arbeidsrechtbank volgt argumentatie RSZ


Achteraf kwam de werkgever tot inkeer en weigerde om spontaan over te gaan tot de (eerder aangekondigde) regularisatie. De werkgever werd uiteindelijk gedagvaard door de RSZ tot invordering van de (betwiste) bijdragen voor de arbeidsrechtbank. De arbeidsrechtbank in Oudenaarde volgde de argumentatie van de RSZ en veroordeelde de werkgever op basis van de verhoren van de zaakvoerster en het onderzoeksverslag, een intern werkdocument van de inspectie.

Arbeidshof schuift de zaak opnieuw onder de loep


De werkgever tekende hoger beroep aan. Het arbeidshof van Gent onderzocht de zaak opnieuw met een opmerkelijk arrest als resultaat. Het hof benadrukte vooreerst dat een onderzoeksverslag geen enkele bijzondere bewijswaarde heeft – in tegenstelling tot een proces-verbaal van vaststelling – en dus slechts een feitelijk vermoeden inhoudt. De beweringen in dit verslag binden het hof dus niet automatisch.

Over de verklaringen van de zaakvoerster (die mondeling had toegegeven fout te zijn geweest en spontaan een RSZ-regularisatie te zullen doen) stelde het hof dat dit een ‘buitengerechtelijke bekentenis’ was. Het hof voegde daaraan toe dat nog diende te worden nagegaan of deze bekentenis oprecht en geloofwaardig was en niet was aangetast door ‘wilsgebreken’.

Daartoe toetste het arbeidshof de concrete omstandigheden af: tijdens het verhoor was het steeds bijzonder druk, waardoor de medewerking van de zaakvoerster eerder passief was. De werkgever was er ook niet gerust in dat na 15 jaren werken met forfaits plots de aangifte anders diende te gebeuren, terwijl de werknemers toch het fooigeld bleven ontvangen. Toevallig beheerde ook een nieuwe onervaren medewerkster het dossier van de werkgever bij het sociaal secretariaat.

De inspectie aanvaardde trouwens dat voor en na de kwestieuze kwartalen het loon uitbetaald werd met fooigeld, waardoor de werkgever het recht had (en zelfs verplicht was!) om de dagforfaits te gebruiken. Al deze elementen maakten het voor het arbeidshof aannemelijk dat de zaakvoerster zich in haar verhoren had ‘vergist’, waardoor haar verklaring was aangetast door ‘dwaling’ (een ‘wilsgebrek’).

Wat kon de RSZ (niet) aantonen?


Het arbeidshof merkte vervolgens op dat in geval van betwisting de bewijslast bij de RSZ ligt, als eisende partij. Zelfs toen de werkgever via haar raadsman de eerdere verklaringen had ingetrokken, heeft de inspectie geen verder onderzoek verricht. Nochtans was een verhoor van de werknemers over hun betalingswijze volgens het arbeidshof in deze zaak cruciaal.

Het feitelijk vermoeden in het onderzoeksverslag (inzake een betaling met uurloon) werd volgens het hof door de werkgever weerlegd. De RSZ kon daarentegen niet aantonen dat de oorspronkelijke RSZ-aangiften verkeerd waren.

De (loodzware) vordering van de RSZ werd dus afgewezen als ongegrond.

Arbeidshof van Gent, 7 januari 2011, AR 2010/AG/10

< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen