< Terug naar overzicht

Recht op opzeggingsvergoeding bij ontslag met opzeggingstermijn op vraag van de werknemer?

Een werkneemster vraagt zelf om ontslagen te worden met een opzeggingstermijn. Hoewel de werkgever geen reden heeft om haar te ontslaan, gaat hij toch in op haar verzoek. De werkgever liet evenwel na om de opzeggingsbrief per aangetekende brief te versturen, waarop de werkneemster een opzeggingsvergoeding vorderde. Heeft zij daar ook recht op?

Een werkneemster die al enige tijd in dienst was, wordt op een bepaald ogenblik arbeidsongeschikt. Tijdens deze periode bespraken de werkgever en werkneemster de mogelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Uit de – hoewel onduidelijke – correspondentie die hierop volgde, kon worden afgeleid dat de werkneemster haar wil had geuit om de onderneming te verlaten. De werkgever meldde haar dat de werkneemster wat hem betrof de onderneming niet moest verlaten, maar dat hij naar een oplossing zocht.

Niet aangetekend verzonden

Vervolgens bezorgde de werkgever de werkneemster een opzeggingsbrief, waarbij de arbeidsovereenkomst een einde nam met een te presteren opzeggingstermijn van 19 maanden en 9 weken, en waarin de aanvangsdatum van de opzeggingstermijn werd vermeld. Hoewel de opzeggingsbrief ook melding maakte van het feit dat deze ‘per aangetekend schrijven’ was verzonden, werd de opzeggingsbrief louter overhandigd aan de werkneemster.

Iets minder dan een maand na de overhandiging van de opzeggingsbrief vorderde de werkneemster een opzeggingsvergoeding op basis van het feit dat de opzeggingsbrief nooit aangetekend verzonden werd. De werkneemster hield voor dat de opzegging hierdoor nietig was, maar dat het ontslag bleef bestaan, ten gevolge waarvan de arbeidsovereenkomst onmiddellijk beëindigd was.

Opzegging nietig

Zoals verwacht, neemt het arbeidshof een duidelijk standpunt in deze zaak in. Waar de arbeidsrechtbank van Leuven de vordering van de werkneemster ongegrond had verklaard om redenen die niet verder uiteengezet worden in het arrest, stelt het arbeidshof duidelijk dat de werkneemster wel degelijk gerechtigd was op een opzeggingsvergoeding.

Het arbeidshof brengt hierbij in herinnering dat indien de arbeidsovereenkomst door de werkgever beëindigd wordt met een te presteren opzeggingstermijn, de opzeggingsbrief op straffe van nietigheid per aangetekend schrijven (of gerechtsdeurwaardersexploot) verzonden moet worden. Zo niet is de opzegging nietig.
De geldigheid van het ontslag als dusdanig wordt hierdoor echter niet aangetast, zodat de arbeidsovereenkomst beschouwd wordt onmiddellijk beëindigd te zijn en de werkneemster desgevallend recht heeft op een opzeggingsvergoeding.

Ten tweede dient volgens het arbeidshof bekeken te worden of de werkgever ondubbelzinnig zijn wil had geuit om een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst. Het hof stelt dat, zelfs indien het ontslag doorgevoerd werd op vraag van de werkneemster, het in ieder geval de werkgever was die het initiatief had genomen om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Er was dus volgens het hof geen twijfel over het feit dat de onderneming de arbeidsovereenkomst had beëindigd.

‘Redelijke bedenktijd’

De werkgever trachtte hier nog tegenin te brengen dat de werkneemster de nietigheid van de opzegging gedekt zou hebben door verder te blijven werken na de ontvangst van de opzeggingsbrief. In lijn met de geldende rechtspraak, bevestigt het hof evenwel dat de werknemer aan wie een dergelijke absoluut nietige opzegging werd betekend, deze nietigheid niet kan dekken door verder te werken.

Het hof stelt wel – eveneens in lijn met zijn eerdere rechtspraak, alsook die van het Hof van Cassatie – dat de werknemer die zich niet binnen een ‘redelijke bedenktijd’ na de absoluut nietige opzegging op het onmiddellijk ontslag beroept, het recht verliest om nog de onmiddellijke beëindiging in te roepen. In dat geval blijft de arbeidsovereenkomst bestaan tot ze op een andere manier beëindigd wordt.

Er werd dan ook onderzocht of de werkneemster – door nog iets minder dan een maand verder te werken na ontvangst van de nietige opzeggingsbrief – geen afstand zou hebben gedaan van haar recht om zich nog te beroepen op de nietigheid. Volgens het arbeidshof had de werkneemster de ‘redelijke bedenktijd’ echter niet overschreden door het laten verstrijken van een periode van iets minder dan een maand vooraleer standpunt in te nemen.

Welke opzeggingsvergoeding te betalen?

Het arbeidshof is duidelijk: aangezien de werkgever een absoluut nietige opzegging betekend had door de opzeggingsbrief niet aangetekend te versturen én van oordeel is dat de werkneemster geen afstand had gedaan van haar recht om zich op de nietigheid te beroepen, is de werkgever een opzeggingsvergoeding verschuldigd aan de werkneemster.

De onderneming argumenteerde dat het loon dat reeds betaald werd aan de werkneemster tussen het ogenblik van de kennisgeving van de nietige opzegging en het effectieve einde van de arbeidsovereenkomst in mindering gebracht moest worden van de verschuldigde opzeggingsvergoeding. Het hof heeft hier echter geen oren naar, en stelt dat bij een dergelijke absoluut nietige opzegging de opzeggingsvergoeding gecumuleerd kan worden met het loon dat betaald werd tijdens de gepresteerde nietige opzeggingstermijn.

Het standpunt dat ingenomen wordt door het hof zou enigszins betwist kunnen worden, maar vindt steun in de meerderheid van de rechtspraak.

Arbeidshof van Brussel, 12 januari 2018, onuitg., AR 2016/AB/845

Auteur: Annabelle Truyers (Claeys & Engels)

 


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen