< Terug naar overzicht

Pensioenfonds mag materiële vergissing van werkgever rechtzetten

Een werknemer was tewerkgesteld sinds 1984 en aangesloten bij het aanvullend pensioenplan van zijn werkgever. Hij werd ontslagen in 2010. In 2011 werd een dadingsovereenkomst ondertekend tussen de werknemer en de werkgever, waarbij een fictief aantal extra dienstjaren in aanmerking werden genomen voor het aanvullend pensioen. Bij zijn uitdiensttreding en na de ondertekening van de dadingsovereenkomst ontving de werknemer telkens een uittredingsfiche met een overzicht van zijn verworven reserves. Maar…

Enkele jaren later ontdekt het pensioenfonds een fout in het referentieloon (de werkgever had het dubbel vakantiegeld tweemaal aangerekend) en doet een rechtzetting, wat leidt tot lagere verworven reserves en dus een lager aanvullend pensioen. De werknemer verzet zich tegen deze rechtzetting en dagvaardt het pensioenfonds. Hij stelt dat het pensioenfonds de wet op de aanvullende pensioenen (WAP) schendt door gegevens op de uittredingsfiche te wijzigen, dat het pensioenfonds het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel schendt en dat het ten slotte misbruik van recht zou maken.

De arbeidsrechtbank van Brussel stelde in eerste instantie vast dat het pensioenfonds de verplichting heeft het pensioenplan, waarvan de werkgever (inrichter van het pensioenplan) het beheer heeft toevertrouwd aan het pensioenfonds, uit te voeren zoals wordt vastgesteld in het pensioenreglement en dat de werknemer enkel rechten kan putten uit datzelfde pensioenreglement.
Vervolgens poneerde zij dat het hier wel degelijk ging om een vergissing in de berekening van het referentieloon van de werknemer. De fout werd door de werkgever begaan voor de uitdiensttreding van de werknemer, maar werd slechts rechtgezet een maand nadien. Het pensioenfonds was pas op de hoogte van die vergissing in 2012.
De arbeidsrechtbank merkte bovendien op dat er geen enkel rechtsbeginsel bestaat volgens hetwelk een fout begaan in de uitvoering van een overeenkomst, een recht doet ontstaan tussen de partijen, noch op basis van het pensioenrecht, noch op basis van het verbintenissenrecht. Temeer niet aangezien het hier ging om een fout door de werkgever en niet door het pensioenfonds zelf. Bovendien werd in het kader van de documenten die de werknemer ontving naar aanleiding van zijn uittreding uitdrukkelijk opgemerkt dat de berekening gebeurde op basis van de gegevens waarover het pensioenfonds op dat moment beschikte.
De arbeidsrechtbank concludeerde dat het pensioenfonds bijgevolg terecht en in lijn met het pensioenreglement overging tot een rechtzetting.
Daarenboven oordeelde ze dat de WAP zich niet verzet tegen een rechtzetting van een materiële vergissing, maar enkel tegen een wijziging van de gegevens, ongeacht of dit al dan niet in het voordeel van de werknemer is. Ook het argument van de werknemer inzake het vertrouwens- en rechtzekerheidsbeginsel aanvaardde de rechtbank niet. Ze stelde hier dat deze beginselen niet kunnen impliceren dat men zich kan beroepen op een voordeel waarop men geen recht heeft, zeker niet indien dat voordeel zou ontstaan uit een vergissing. Ook oordeelde de rechtbank dat het pensioenfonds op geen enkele wijze kennelijk onredelijk, noch foutief gehandeld had door de vergissing recht te zetten van zodra het er kennis van had.
Zij bevestigde met dit vonnis dan ook dat een pensioenfonds een materiële vergissing in de berekening van de pensioenvoordelen, begaan door de werkgever, kan rechtzetten.

Arbrb. Brussel 29 april 2019, AR 17/2309/A
Dorien Verstraeten, advocaat-medewerker Claeys & Engels

 

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen