< Terug naar overzicht

Onwettig afwezig of niet?

Volgens de Arbeidsovereenkomstenwet moet de partij die een dringende reden tot ontslag inroept hiervan het bewijs leveren. In een recent arrest benadrukt het Hof van Cassatie echter dat dit niet betekent dat de andere partij geen enkele bewijslast draagt.

Het Arbeidshof van Brussel moest zich uitspreken over de regelmatigheid van het ontslag om dringende reden van een werknemer die werd ontslagen wegens onwettige afwezigheid. Als dringende reden werd ingeroepen dat de werknemer sedert 24 juni 2002 onwettig afwezig was op het werk. De werknemer betwistte zijn afwezigheid op het werk niet, maar verweerde zich door te stellen dat hij niet onwettig afwezig was geweest, gezien hij met toestemming van de werkgever vanaf 21 juni 2002 zijn wettelijke vakantie had genomen. De werkgever betwistte dit echter op zijn beurt.

Het Arbeidshof oordeelde dat de werkgever moest aantonen dat de werknemer zonder voorafgaand overleg en akkoord zijn vakantieregeling had bepaald en dat hij niet gerechtigd was vakantie te nemen vanaf 24 juni 2002. Aangezien de werkgever hier niet in slaagde, oordeelde het Arbeidshof dat de werknemer ten onrechte wegens dringende reden werd ontslagen. De werkgever kon zich niet verzoenen met deze redenering van het Arbeidshof en tekende cassatieberoep aan.

Het Hof van Cassatie bevestigde vooreerst het principe dat de partij die overgaat tot ontslag om dringende reden de bewijslast draagt van de ingeroepen ‘dringende reden’. Het benadrukte evenwel dat de toepassing van dit principe niet afwijkt van de gemeenrechtelijke regels inzake de verdeling van de bewijslast, zoals voorzien in de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek.

Van zodra de partij die de dringende reden inroept, het bewijs levert van feiten die kunnen worden beschouwd als een ernstige tekortkoming van de andere partij die elke professionele samenwerking tussen de partijen onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt, draagt de andere partij, wanneer deze bepaalde feiten aanvoert die als een exceptie in de zin van artikel 1315 van het Burgerlijk Wetboek kunnen worden beschouwd, de bewijslast van de door haar aangevoerde feiten. Door zelf de reden op te geven ter rechtvaardiging van zijn afwezigheid op het werk (het opnemen van vakantiedagen), beweerde de werknemer bevrijd te zijn van zijn verbintenis tot het verrichten van arbeid. Volgens het Burgerlijk Wetboek diende de werknemer (en dus niet de werkgever) het bewijs te leveren van de door hem opgegeven reden van zijn afwezigheid.

Door te oordelen dat de werkgever moest aantonen dat de werknemer zijn vakantie zonder overleg had opgenomen, heeft het Arbeidshof van Brussel volgens het Hof van Cassatie de bewijslast omgekeerd. Het arrest van het Arbeidshof werd dan ook verbroken door het Hof van Cassatie.


images

images

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen