< Terug naar overzicht

Ontslag om dringende reden, ook na strafrechtelijke vrijspraak voor die feiten?

Kan een arbeidsrechtbank een oordeel over een ontslag om dringende reden vellen dat in tegenspraak lijkt met een eerder oordeel van een strafrechter?

Wanneer een ontslag om dringende reden berust op feiten die het voorwerp uitmaken van een strafrechtelijke vervolging, wordt de procedure voor de arbeidsrechtbank in beginsel geschorst tot er een definitieve uitspraak is over de strafvordering: “Le criminel tient le civil en état.” Alleen wanneer de arbeidsrechtbank meteen uitspraak kan doen zonder werkelijk over de grond van de zaak te moeten oordelen, hoeft de uitkomst van de strafprocedure niet te worden afgewacht. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de op straffe van nietigheid opgelegde vormvoorschriften niet zijn nageleefd.

Strafrechtelijk vrijgesproken en toch ‘dringende reden’?

Gemeenzaam wordt aangenomen dat de arbeidsrechtbank het ‘gezag van het rechterlijk gewijsde in strafzaken’ moet eerbiedigen. Dit betekent dat de arbeidsrechtbank met betrekking tot de feiten gebonden is door wat de strafrechter noodzakelijk, zeker en hoofdzakelijk heeft beslist. Op basis van dit gezag van het rechterlijk gewijsde in strafzaken, oordeelt de arbeidsrechtbank vaak dat, wanneer de werknemer voor de ingeroepen feiten strafrechtelijk wordt vrijgesproken, ook het ontslag wegens dringende reden moet worden afgewezen.

Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn. In een opmerkelijk vonnis van 17 november 2015 aanvaardde de Nederlandstalige arbeidsrechtbank van Brussel het ontslag wegens dringende reden, ondanks het feit dat de werknemer strafrechtelijk werd vrijgesproken.

In deze zaak werd een werknemer ontslagen wegens dringende reden omdat hij had meegewerkt aan fraude en oplichting. Zijn echtgenote had een valse brief opgemaakt op briefpapier van de werkgever om gelden van de non-profitorganisatie, waar zij werkzaam was en waarvan haar vader de voorzitter was, te laten storten op haar persoonlijke rekening. De werknemer werd ervan verdacht te hebben meegeholpen aan deze fraude door zijn echtgenote toegang te geven tot bedrijfsgegevens.

Hoewel de werknemer strafrechtelijk werd vrijgesproken voor deelname aan het misdrijf ‘valsheid in geschrifte’, aanvaardde de Nederlandstalige arbeidsrechtbank van Brussel toch het ontslag om dringende reden. De rechtbank benadrukte dat het haar vrij staat het foutief gedrag van de werknemer in het kader van het ontslag te beoordelen en achtte de betrokkenheid van de werknemer bij de frauduleuze praktijken van zijn echtgenote, met inbegrip van het opstellen van een valse factuur, wel degelijk bewezen. Vooral dit laatste is opmerkelijk, aangezien de arbeidsrechtbank het gezag van het rechterlijk gewijsde in strafzaken daardoor naast zich neer lijkt te leggen, terwijl de strafrechter de deelname aan schriftvervalsing nochtans onvoldoende bewezen achtte.

Dan maar rekeninghouden met andere feiten?

Daartegenover staat evenwel dat de arbeidsrechtbank in haar beoordeling van de ingeroepen dringende redenen eveneens rekening heeft gehouden met een aantal andere belangrijke elementen, zoals het feit dat de werknemer wel strafrechtelijk werd veroordeeld voor het aanwenden van gelden van de non-profitorganisatie voor privédoeleinden en er – gelet op de samenwerking tussen deze organisatie en de werkgever – sprake was van een belangenconflict, het feit dat de werknemer reeds enige tijd op de hoogte was van de frauduleuze praktijken van zijn echtgenote en deze had verzwegen, de hoge functie van de werknemer en dergelijke meer. De uitspraak van de arbeidsrechtbank berust dus niet alleen op een herinterpretatie van de reeds door de strafrechter beoordeelde feiten.

Feit blijft evenwel dat de arbeidsrechtbank zich in deze zaak een wel erg verregaande vrijheid toemeet om het foutief gedrag van de werknemer zelfstandig te beoordelen, ondanks een eerdere strafrechtelijke vrijspraak. In dit verband dient benadrukt dat een ontslag om dringende redenen door de arbeidsrechtbank steeds dient te worden beoordeeld op basis van de omschrijving van de ingeroepen feiten in de aangetekende brief (die binnen de drie werkdagen na het ontslag aan de werknemer wordt betekend). Dit vonnis illustreert het belang aan dit schrijven, waar de werkgever er natuurlijk alle belang bij heeft om zo nauwkeurig mogelijk alle relevante elementen aan te halen en de motivering alleszins niet te beperken tot de eenvoudige vermelding van het plegen van een misdrijf (in dit geval ‘strafbare deelneming aan valsheid in geschrifte’).

Arbeidsrechtbank van Brussel, 17 november 2015, AR 14/2429/A, onuitgeg.

 


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen