< Terug naar overzicht

Nieuwe verjaringsregels voor aanvullende pensioenen

Wat als een aanvullend pensioen niet correct of zelfs helemaal niet uitbetaald wordt? Wanneer kan een begunstigde weten of er iets fout loopt? En wanneer kan hij of zij het bedrag alsnog opeisen? Let op de verjaringstermijn.

Heel wat werkgevers financieren een aanvullend pensioen voor hun werknemers via een verzekeringsonderneming of een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening (een pensioenfonds). Aanvullende pensioenopbouw wordt gekenmerkt door een lange tijdshorizon. Een aanvullend pensioen kan immers pas ten vroegste op het moment van pensionering of, indien in het reglement voorzien op leeftijd van 60 jaar opgenomen worden. Wanneer een werknemer de onderneming verlaat, kan hij zijn opgebouwde spaarpot (de ‘verworven reserves’), bij de pensioeninstelling van zijn ex-werkgever laten tot op het moment van pensionering.

Waar is mijn aanvullend pensioen gebleven?

Wanneer een gepensioneerde niet akkoord gaat met het bedrag van het aanvullend pensioen (of het gebrek aan aanvullend pensioen), rijzen er vaak bewijsproblemen. De aangeslotene heeft de onderneming vaak al lang verlaten, er zijn geen payroll-gegevens meer, de documenten die planwijzigingen kunnen duiden, zijn spoorloos, door overnames en personeelswissels is het moeilijk nog de planhistoriek te reconstrueren,…

Wat dan? In het arbeidsrecht gelden in principe korte verjaringstermijnen. Artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat vorderingen verjaren één jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat de vijfjarige termijn die van één jaar mag overschrijden.

Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 13 november 2006 geoordeeld dat de korte verjaringstermijn van één jaar ook van toepassing is op vorderingen tot betaling van een aanvullend pensioen. Het Hof was echter van oordeel dat die termijn pas begon te lopen op het moment van de opeisbaarheid van het aanvullend pensioen. Dit had tot gevolg dat een aangeslotene (die de onderneming vaak al tientallen jaren verlaten had) nog tot zijn 61ste of zelfs 66ste een vordering kon instellen tot betaling van een (saldo van) pensioenkapitaal.

De meeste arbeidsrechtbanken en arbeidshoven sloten zich aan bij deze cassatierechtspraak. Dit had tot gevolg dat de filosofie van de korte arbeidsrechtelijke verjaringstermijnen (bewijsproblemen en aanslepende sociale conflicten vermijden) grotendeels werd uitgehold.

Daarnaast golden er ook specifieke en afwijkende verjaringstermijnen in de Wet op de Aanvullende pensioenen en Landverzekeringsovereenkomstenwet, die naargelang van de aard van de vordering (betaling bijdragen / saldo kapitaal) of identiteit van de verweerder (verzekeraar/IBP/werkgever) of eiser (werknemer/begunstigde) ook konden worden ingeroepen. Ook dit droeg niet bij tot de rechtszekerheid.

Wetgever grijpt in: langere termijn, maar vroegere start

Op de valreep van vorige legislatuur werd een Wet houdende Diverse Bepalingen (WDP) aangenomen. Deze werd op 19 juni 2014 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd en voert een uniforme verjaringstermijn in voor pensioenvorderingen van aangeslotenen en begunstigden tegen werkgevers of pensioeninstellingen. De nieuwe regels werden in artikel 55 van de Wet op de Aanvullende Pensioenen (WAP) opgenomen.

Uniforme termijn van 5 jaar

Het nieuwe artikel 55 van de WAP voert een uniforme verjaringstermijn van 5 jaar in voor vorderingen die voortvloeien uit óf verband houden met een aanvullend pensioen of het beheer ervan. Ze is van toepassing op vorderingen van werknemers, aangeslotenen en begunstigden tegen de inrichter of de pensioeninstelling.

Startpunt

De nieuwe termijn van 5 jaar begint te lopen de dag nadat de werknemer kennis krijgt of redelijkerwijze kennis had moeten krijgen van het voorval dat de vordering doet ontstaan, of van de schade en de identiteit van de aansprakelijke persoon.

De termijn voor vorderingen van een begunstigde begint te lopen de dag nadat die kennis kreeg of redelijkerwijze kennis had moeten krijgen van:

  1. Het bestaan van het aanvullend pensioen.
  2. Zijn hoedanigheid van begunstigde.
  3. Het voorval dat de prestatie opeisbaar doet worden.

In geval van overmacht om binnen de deze termijn op te treden, wordt ze geschorst. Hetzelfde geldt voor minderjarige begunstigden (bijvoorbeeld van een wezenpensioen), voor wie de verjaring pas begint te lopen vanaf hun 18de verjaardag.

Overgangsbepalingen

De nieuwe regels over verjaringstermijnen traden op 29 juni 2014 in werking. Indien de vordering al bestond vóór de inwerkingtreding van de WDP, begint de termijn ook pas op die datum te lopen, zonder dat die termijn langer mag zijn dan de duur van de oorspronkelijke termijn.

De nieuwe verjaringsregels kunnen niet tot gevolg hebben dat onder de oude regels al verjaarde vorderingen nieuw leven wordt ingeblazen.

Evaluatie en to do’s

Het is voorlopig nog koffiedik kijken hoe rechtbanken en hoven de nieuwe verjaringsregels zullen interpreteren. Het moment waarop de aangeslotene of begunstigde kennis krijgt of had moeten krijgen van het feit dat de verjaring doet lopen, is een feitenkwestie.

Wanneer de sociale informatie- en consultatieprocedures in verband met de wijziging/invoering van het pensioenplan nauwgezet worden nageleefd en de pensioeninstelling of inrichter adequate pensioenfiches, uittredings- en liquidatieformulieren opstellen, zijn er goede argumenten om het startpunt van de vijfjarige termijn te situeren op het moment van de ontvangst van de informatie op grond waarvan de aangeslotene/begunstigde (voor het eerst) kennis kon nemen van de schade. In ieder geval moedigen de nieuwe regels maximale transparantie aan.

  • Hof van Cassatie, 13 november 2006, AR S.05.0111.N, www.cass.be
  • Wet 15 mei 2014 houdende diverse bepalingen, Belgisch Staatsblad 19 juni 2014

 


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen