< Terug naar overzicht

Niet bewezen dringende reden kan leiden tot bijkomende schadevergoeding

Wat gebeurt er als een arbeider wordt ontslagen om dringende reden en de rechter oordeelt dat de ingeroepen dringende reden niet bewezen is? Heeft de arbeider dan automatisch recht op een schadevergoeding wegens ‘willekeurig ontslag’ (bovenop de opzeg

Bij een ontslag van een arbeider moet de werkgever kunnen aantonen dat het ontslag is ingegeven door een geldig ontslagmotief. De wet beschouwt het ontslag van een arbeider immers als ‘willekeurig’ indien de werkgever niet kan aantonen dat het ontslag te maken heeft, ofwel met het gedrag van de werknemer, ofwel met zijn geschiktheid, ofwel met de noodwendigheden inzake de werking van de onderneming. Slaagt de werkgever niet in die bewijslast, dan is een fikse schadevergoeding (zes maanden loon) verschuldigd.
Maar wat gebeurt er als een arbeider wordt ontslagen om dringende reden en de rechter oordeelt dat de ingeroepen dringende reden niet bewezen is? Heeft de ontslagen arbeider dan automatisch recht op een schadevergoeding wegens ‘willekeurig ontslag’ (bovenop de opzeggingsvergoeding)? Het Hof van Cassatie sprak zich op 22 juni 2009 uit over deze vraag.

Dringende reden niet bewezen


Een arbeider die in dienst was van een transportbedrijf werd op 19 augustus 2005 ontslagen wegens dringende reden omwille van een vermeende diefstal. De arbeider ontkende de feiten en betwistte zijn ontslag om dringende reden. Het arbeidshof te Antwerpen oordeelde enerzijds dat de ingeroepen dringende reden (de diefstal) niet bewezen was, maar kende anderzijds geen schadevergoeding toe wegens willekeurig ontslag.
Het arbeidshof was van oordeel dat, hoewel de dringende reden niet bewezen was, de werkgever toch duidelijke redenen had voor het ontslag (zij het niet om dringende reden), met name omdat er toch ernstige vermoedens waren van diefstal. Deze vermoedens hadden volgens het arbeidshof te maken met het gedrag van de werknemer, zodat het ontslag niet ‘willekeurig’ was. De ontslagen arbeider ging hier niet mee akkoord en tekende Cassatieberoep aan.

Ernstige vermoedens zijn geen bewijs


Het Hof van Cassatie benadrukte het principe dat het, in geval van een ontslag om dringende reden, aan de werkgever toekomt om het bewijs te leveren van de ingeroepen feiten. Daarnaast bepaalt de wet echter ook dat, in geval van een (gewoon) ontslag van een arbeider, de werkgever moet kunnen bewijzen dat het ontslag niet ‘willekeurig’ is. Dit betekent concreet dat, wanneer een werkgever een arbeider ontslaat wegens dringende redenen, maar er vervolgens niet in slaagt om het bewijs te leveren van de ingeroepen feiten, het ontslag als ‘willekeurig’ moet worden beschouwd, tenzij wanneer de werkgever het bewijs kan leveren van een ander (niet willekeurig) ontslagmotief.
Het Hof van Cassatie voegde hier nog aan toe dat ernstige vermoedens niet volstaan als een geldig ontslagmotief.

‘Niet bewezen’ betekent niet altijd ‘willekeurig’


Uit deze rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt nogmaals dat de werkgever die een ontslag om dringende reden overweegt, de volledige bewijslast draagt, met alle consequenties van dien. Slaagt de werkgever er niet in om de ingeroepen feiten te bewijzen, dan kan dit leiden tot een veroordeling tot betaling van een opzeggingsvergoeding én een bijkomende schadevergoeding wegens willekeurig ontslag, althans als het gaat om een arbeider.
Let op: er is wel een verschil tussen een dringende reden die niet bewezen wordt geacht en ingeroepen feiten die niet als een dringende reden worden erkend. In dit laatste geval zijn de feiten wel bewezen, maar worden ze door de rechtbank niet als voldoende ernstig beschouwd om een ontslag om dringende redenen te rechtvaardigen. In dit laatste geval is er uiteraard niet per definitie sprake van een ‘willekeurig ontslag’.

Hof van Cassatie, 22 juni 2009, Nr. S.09.0001.N

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen