< Terug naar overzicht

Moet standplaatsvergoeding in berekening van opzeggingsvergoeding?

Moeten de standplaatsvergoeding en andere kosten die een werknemer bij een detachering naar het buitenland ontvangt, opgenomen worden in de berekening van een opzeggingsvergoeding?

Steeds meer werknemers genieten naast hun vast maandloon en diverse voordelen, zoals maaltijdcheques en werkgeversbijdragen in hun groepsverzekering, ook van allerlei kostenvergoedingen. Bij detacheringen (vanuit België naar het buitenland of omgekeerd) komen hier nog allerlei specifieke kostenvergoedingen bij (zoals een vergoeding voor verhuiskosten of een ‘tax equalisation allowance’). De opname van deze vaak aanzienlijke kostenvergoedingen in de berekeningsbasis van de opzeggingsvergoeding blijft dan ook een fel twistpunt bij ontslagprocedures.

Levensduurtevergoeding in Londen

In een recent arrest van het arbeidshof van Brussel ging het om een Belgische werknemer die naar Londen gedetacheerd werd. In het kader van zijn detachering had hij recht op diverse kostenvergoedingen, waaronder een forfaitaire standplaatsvergoeding en een vergoeding wegens verhuis- en installatiekosten. De standplaatsvergoeding was een maandelijks ‘nettobedrag’ dat geacht werd de kosten te dekken die de werknemer werkelijk betaalde en die verband hielden met diens tewerkstelling in het buitenland (een ‘cost of living allowance’ of levensduurtevergoeding).

De werknemer eiste dat beide vergoedingen (de standplaatsvergoeding en de vergoeding voor verhuiskosten) opgenomen werden in het jaarloon voor de berekening van de opzeggingsvergoeding. Tevens stelde hij dat het aan de werkgever toekwam om te bewijzen dat dit geen loonvoordelen waren.

Verhuiskosten zijn geen loon

Het arbeidshof onderzocht de argumentatie van de werknemer, maar kwam tot een ander oordeel. Ten eerste stelt het dat het aan de werknemer toekomt om te bewijzen dat dergelijke vergoedingen een onderdeel van het loon vormen en dus niet louter dienen ter dekking van werkelijke kosten als gevolg van het algemeen rechtsbeginsel dat degene die iets beweert, daar ook de bewijslast van draagt (‘actori incumbit probatio’).

Over de verhuiskosten stelt het arbeidshof dat deze de werkelijke kosten verbonden aan het verhuizen van en naar Londen dekken en dat dergelijke kosten niet beschouwd kunnen worden als loon, maar als ‘kosten eigen aan de werkgever’. Het gaat immers om kosten die de werknemer oploopt als gevolg van de uitoefening van de arbeidsovereenkomst en die inherent zijn aan de uitoefening ervan.

‘Kosten eigen aan de werkgever’

Ook de standplaatsvergoeding wordt in dit arrest beschouwd als een vergoeding voor de meerkosten die volgen uit een tewerkstelling in Londen. De vergoeding wordt met andere woorden geacht het verschil in levensduurte tussen Londen en België te dekken. Dergelijke meerkosten zijn inherent aan de uitoefening van de arbeidsovereenkomst en moeten daarom beschouwd worden als ‘kosten eigen aan de werkgever’.

Conclusie

De volgende principes die uit dit arrest afgeleid kunnen worden, kunnen ook toegepast worden op andere kostenvergoedingen die een werknemer ontvangt:

  • Enerzijds komt het aan de werknemer toe om te bewijzen dat een dergelijke kostenvergoeding loon vormt.
  • Anderzijds moet een kostenvergoeding niet in het jaarloon opgenomen worden als ze de werkelijke meerkosten vergoedt die de werknemer oploopt als gevolg van de uitoefening van zijn arbeidsovereenkomst.

Arbeidshof van Brussel, 12 september 2014, 2013/AB/592

 


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen