< Terug naar overzicht

Mag een werknemer zijn werkgever openlijk bekritiseren?

De rechtspraak beantwoordt niet eenduidig de vraag of het geven van kritiek op de werkgever een ontslag om dringende reden kan rechtvaardigen. Alles hangt af van de concrete omstandigheden en context waarin de feiten zich hebben voorgedaan en van de vr

Een postbeambte vertelde aan een journaliste van De Morgen over de problemen die hij had met zijn werkgever. Op 10 februari 2001 verscheen er een eerste artikel in het dagblad, waarin de postbeambte zijn werkgever vergeleek met een ‘strafkamp’ en ‘tirannen’. Het artikel verwees impliciet ook naar de vermeende schuld van De Post aan de zelfmoord van een postman uit Wezembeek-Oppem. Op 21 mei 2001 verscheen een tweede artikel in de krant, waarin De Post werd beschuldigd van het doen verdwijnen van belangrijke documenten. Op 8 mei en op 6 juni werd de postbeambte door De Post geïnterpelleerd over de artikels. De postbeambte weigerde verklaringen af te leggen omdat de zaak tevens het voorwerp uitmaakte van een strafrechtelijk onderzoek. Op 25 juli 2001 werd de postbeambte vervolgens ontslagen wegens dringende reden, meer bepaald wegens het uiten van ongeoorloofde kritiek op zijn werkgever. De postbeambte ging in beroep tegen deze tuchtsanctie, maar kreeg van de commissie van beroep ongelijk.

De postbeambte weigerde zich neer te leggen bij deze beslissing en bracht de zaak voor de Raad van State (afdeling Administratie). De Raad van State kan zich niet in de plaats stellen van de tuchthoudende overheid, maar kan wel een zogenaamde marginale toetsing uitvoeren van de opgelegde tuchtsanctie aan de ‘algemene beginselen van behoorlijk bestuur’. Eén van deze algemene beginselen van behoorlijk bestuur is het evenredigheidsbeginsel. Dit houdt in dat de overheid erop moet toezien dat de lasten of nadelige gevolgen voor de burgers van een bepaalde beslissing steeds in evenwicht zijn met de doelstellingen die de overheid hiermee wil bereiken.

In dit geval oordeelde de Raad van State dat De Post het evenredigheidsbeginsel had geschonden door te opteren voor de zwaarste tuchtsanctie. De Raad van State was van oordeel dat de sanctie niet in verhouding stond met de tekortkomingen, terwijl de mogelijkheid bestond een lichtere straf op te leggen. Hoewel de ingeroepen feiten volgens de Raad van State voldoende erg waren om een tuchtstraf te rechtvaardigen, oordeelde hij dat deze feiten in het in het licht van de concrete omstandigheden, de context waarin de uitlatingen werden gedaan, het ontbreken van een onmiddellijke reactie van De Post en de afwezigheid van betekenisvolle eerdere tuchtstraffen, niet voldoende zwaar wogen om de afzetting van de postbeambte te rechtvaardigen. De Raad van State voegde daar nog aan toe dat, wanneer het gaat om een ambtenaar die meent bepaalde misbruiken of disfuncties binnen het bestuur te moeten aankaarten, de tuchtrechtelijke overheid (De Post) moet vermijden sancties op te leggen die een overdreven afschrikkend effect hebben, waardoor het spreekrecht van de ambtenaren zou kunnen worden uitgehold.

Hoewel dit arrest betrekking heeft op de afzetting van een ambtenaar, kunnen dezelfde principes ook worden toegepast op de situatie van een werknemer die kritiek uit op het beleid van zijn werkgever. Enkel in flagrante gevallen zal dit feit op zich voldoende zijn om de zwaarste sanctie (ontslag om dringende reden) te rechtvaardigen.

images
images


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen