< Terug naar overzicht

Kan personeelsvertegenwoordiger worden opgezegd voordat hij effectief 65 jaar is?

Een personeelsafgevaardigde in de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk werd door zijn werkgever opgezegd met een verkorte opzeggingstermijn van zes maanden met het oog op zijn pensioen.

De onderneming hanteerde een bedrijfsbeleid van systematische pensionering bij het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. Daarom werd dus ook deze beschermde werknemer die zijn pensioen naderde, werd opgezegd. Wanneer de werkgever een werknemer wil opzeggen tegen de wettelijke pensioenleeftijd van momenteel 65 jaar geldt inderdaad een plafond van 26 weken (zes maanden) voor de opzeggingstermijn.

Leden van de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk zijn (sterk) beschermd tegen ontslag. Zij kunnen slechts in beperkte mate ontslagen worden, mits naleving van de wettelijke voorwaarden en procedures. De beschermingsperiode loopt tot de personeelsafgevaardigden de leeftijd van 65 jaar bereiken.

De betrokken werknemer beriep zich op deze ontslagbescherming en vorderde de betaling van het vaste gedeelte van de beschermingsvergoeding (vier jaar loon gelet op de anciënniteit van de betrokkene van meer dan 20 jaar). De werknemer vroeg zijn re-integratie in de onderneming niet, zodat hij geen aanspraak kon maken op het variabel gedeelte van de beschermingsvergoeding, gelijk aan het loon voor het resterende gedeelte van het mandaat. Dit ontnam dan tegelijkertijd de werkgever ook de mogelijkheid om tot re-integratie over te gaan om zo de situatie recht te zetten. Anderzijds zou het ook bijzonder raar geweest zijn om de re-integratie te vragen terwijl de arbeidsovereenkomst nog verder uitgevoerd werd.

In eerste instantie ging het Arbeidshof in op een argument van de werkgever inzake de ontvankelijkheid van de vordering. Volgens de werkgever kon de werknemer geen werkelijk belang laten gelden, aangezien het recht op de beschermingsvergoeding pas zou ontstaan op het einde van de opzeggingstermijn. Het Hof volgde dit argument niet en was van oordeel dat de beschermingsvergoeding (reeds) verschuldigd is vanaf het verstrijken van de termijn van 30 dagen om de re-integratie te vragen. Deze termijn start op de datum van de betekening van de opzegging, zoals wettelijk voorzien. De beschermingsvergoeding was in dit geval dus volgens het Hof verschuldigd op de 31ste dag volgend op de datum van de betekening van de opzegging. De werknemer kon zijn vordering dus instellen.

Wat de gegrondheid van de vordering betreft, rijst de vraag of de betrokkene nog beschermd was op het ogenblik van het ontslag. Dit was volgens de werkgever niet het geval op het effectieve einde van de arbeidsovereenkomst (na afloop van de opzeggingstermijn), aangezien de werknemer dan ouder dan 65 jaar was. De leeftijd op het ogenblik van het effectieve einde van de arbeidsovereenkomst heeft volgens het Arbeidshof evenwel geen impact op het recht op de beschermingsvergoeding. Ook de argumenten inzake discriminatie van de werkgever werden niet gevolgd met verwijzing naar de zaken van het Grondwettelijk Hof in deze materie, waarin werd geoordeeld dat er geen sprake was van een ongeoorloofde discriminatie.

Aangezien de werkgever was overgegaan tot betekening van een opzeggingstermijn tijdens de beschermingsperiode en hierbij de wettelijke voorwaarden en procedures voor het ontslag van een beschermde werknemer niet werden nageleefd, werd de werkgever veroordeeld tot betaling van de beschermingsvergoeding van vier jaar loon.

Ten slotte trachtte de werkgever zich te beroepen op rechtsmisbruik, maar opnieuw zonder succes. Arbeidsgerechten hebben zich reeds meermaals moeten uitspreken over de vraag of er rechtsmisbruik was in hoofde van een werknemer die de betaling van de beschermingsvergoeding opeiste. Deze vraag werd een aantal keer bevestigend beantwoord. Op basis van deze rechtspraak blijkt dat nu eens wordt geoordeeld dat de sanctie van het rechtsmisbruik bestaat in het ongegrond verklaren van de vordering en dan weer in het herstel van de schade door het toekennen van een schadevergoeding. Het Arbeidshof bevestigde deze tweede strekking, aangezien het benadrukte dat - zelfs indien er sprake zou zijn geweest van rechtsmisbruik - dit niet tot gevolg zou hebben dat het recht om de beschermingsvergoeding te vorderen, verloren gaat.

Dit arrest bevestigt - met verwijzing naar de bestaande rechtspraak van het Grondwettelijk Hof - de meerderheidsrechtspraak en -rechtsleer die stelt dat een werkgever de arbeidsovereenkomst met een beschermde werknemer maar kan opzeggen met de verkorte opzeggingstermijn wanneer de werknemer effectief al 65 jaar is geworden. Er moet dus steeds gewacht worden met de opzegging van een beschermde werknemer totdat deze daadwerkelijk 65 jaar is.

Gelet op de komende sociale verkiezingen, kan dit arrest ook aangewend worden om nog even de voorwaarden van verkiesbaarheid te signaleren. Deze voorwaarden moeten vervuld zijn op de dag van de verkiezingen (DAG Y). Een van deze voorwaarden is de leeftijd van 65 jaar niet bereikt hebben.

Arbeidshof Brussel, 22 maart 2018, JTT 2018, 311

Dorien Vandeput
Senior associate
Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen