< Terug naar overzicht

Kan een opzegvergoeding ex delicto worden gevorderd?

Het Arbeidshof van Brussel moest zich uitspreken over een vordering tot betaling van een opzegvergoeding die meer dan een jaar na de beeindiging van de arbeidsovereenkomst werd ingesteld. De werkneemster argumenteerde dat haar vordering ‘ex delicto’ w

De verjaringstermijn voor rechtsvorderingen die ontstaan uit de arbeidsovereenkomst – ook wel vorderingen ‘ex contractu’ genoemd – wordt geregeld in artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Deze vorderingen moeten worden ingesteld binnen de vijf jaar na het feit waaruit ze zijn ontstaan en in ieder geval binnen het jaar na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Aangezien heel wat sociaalrechtelijke regels strafrechtelijk worden gesanctioneerd, is het vaak ook mogelijk om een vordering ‘ex delicto’ in te stellen. In dit geval vordert men een vergoeding voor de schade die men heeft geleden door het sociaalrechtelijk misdrijf dat werd gepleegd (bijv. een schadevergoeding wegens het misdrijf ‘niet-betalen van vakantiegeld’). De verjaringstermijn voor dergelijke vorderingen ‘ex delicto’ bedraagt in principe vijf jaar, zodat het mogelijk is nog een vordering in te stellen na verloop van een jaar na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Voorwaarde is wel dat er sprake is van een misdrijf, in het kader waarvan een burgerlijke eis tot schadevergoeding kan worden ingesteld.

Het Arbeidshof van Brussel moest zich uitspreken over een vordering tot betaling van een opzegvergoeding die meer dan een jaar na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst werd ingesteld. De werkneemster had haar vordering gesteund op artikel 42 van de Loonbeschermingswet, die inbreuken op bepaalde artikels van deze wet strafbaar stelt. De werkneemster vorderde meer bepaald een schadevergoeding wegens niet-betaling van een opzegvergoeding, wat volgens haar een inbreuk uitmaakt op de bepalingen van artikel 3, 9 en 11 van de Loonbeschermingswet die strafrechtelijk worden gesanctioneerd.

Het Arbeidshof gaf de werkneemster echter ongelijk. Het oordeelde dat haar vordering laattijdig was ingesteld omdat deze niet kon worden ingesteld op grond van de ingeroepen bepalingen. Het Arbeidshof merkte op dat het begrip loon zoals bedoeld in de ingeroepen artikelen moet worden begrepen als het arbeidsrechtelijk loonbegrip. Dit wil zeggen ‘het loon als tegenprestatie voor de geleverde arbeid’. Het Arbeidshof benadrukte dat een opzegvergoeding geen ‘tegenprestatie van arbeid’ uitmaakt, zodat de niet-betaling van een opzegvergoeding niet wordt geviseerd door de genoemde artikelen. De vordering van de werkneemster werd dan ook afgewezen omdat zij deze niet ‘ex delicto’ kon instellen op basis van artikel 42 van de Loonbeschermingswet.

Dit arrest is niet alleen interessant, maar ook opmerkelijk omdat het Arbeidshof uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat de bepalingen van artikel 3, 9 en 11 LBW verwijzen naar het ‘arbeidsrechtelijk loonbegrip’. In artikel 2 van de Loonbeschermingswet wordt immers een duidelijke definitie gegeven van het begrip ‘loon’ die heel wat ruimer is. Zo bestaat er geen discussie over het feit dat een opzegvergoeding wel valt onder het loonbegrip in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet.



images

images

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen