< Terug naar overzicht

Is verplaatsingstijd ook arbeidstijd bij mobiele werknemers?

Verplaatsingen van mobiele werknemers (werknemers zonder vaste werkplaats) van hun woonplaats naar een klant, tussen verschillende klanten en van de laatste klant naar hun woonplaats hebben al vaak tot discussies geleid. Maakt de daaraan bestede tijd ook arbeidstijd uit? In een arrest van 7 april 2018 heeft het arbeidshof van Antwerpen zich over deze vraag uitgesproken.

Arbeidstijd wordt wettelijk gedefinieerd als “de tijd gedurende welke het personeel ter beschikking is van de werkgever.” Aangenomen wordt dat een werknemer “ter beschikking” van zijn werkgever staat als deze (i) niet vrij beschikt over zijn tijd, en (ii) instructies kan ontvangen en deze moet uitvoeren.

Die definitie lijkt eenvoudig, maar de praktische toepassing ervan kan veel discussie doen rijzen. Een discussie met aanzienlijke belangen, met name omdat werknemers moeten worden vergoed voor hun arbeidstijd (weliswaar niet steeds op dezelfde manier) en het eventueel verschuldigde overloon wegens overschrijding van de dag- of weekgrenzen wordt berekend aan de hand van deze uren.

Een bijzonder controversieel punt in de discussie inzake arbeidstijd betreft de verplaatsingstijd. Dit is de tijd die een werknemer spendeert aan het vervoer tussen zijn woon- en werkplaats, en het vervoer tussen verschillende werkplaatsen. Traditioneel wordt aangenomen dat als een werknemer één (of meerdere) vaste werkplaats(en) heeft, de tijd van het vervoer géén arbeidstijd uitmaakt.

Of de verplaatsingstijd van mobiele werknemers tussen de woonplaats en een variabele arbeidsplaats, en tussen verschillende variabele arbeidsplaatsen arbeidstijd uitmaakt, is minder duidelijk. Het was precies over deze discussie dat het arbeidshof van Antwerpen zich recent diende te uit te spreken.

Achterstallig loon voor de verplaatsingstijd?

Het dossier had betrekking op een echtpaar-werknemers in de schoonmaaksector die doorheen de dag steeds andere klanten bezochten. De werknemers gingen rechtstreeks naar klanten zonder eerst bij de werkgever te passeren. De werknemers hadden ontegensprekelijk een variabele arbeidsplaats.

De werkgever kende de werknemers een mobiliteitsvergoeding toe voor de verplaatsingen, maar beschouwde de verplaatsingstijd niet als arbeidstijd. De werknemers kregen bijgevolg geen loon voor de verplaatsingstijd, noch werd deze in aanmerking genomen voor de berekening van overloon.

Na afloop van de arbeidsovereenkomst stelden de werknemers een vordering in tot achterstallig loon voor de verplaatsingstijd en dit gedurende de volledige periode van tewerkstelling. Ze beweerden dat de verplaatsingstijd van de woonplaats naar de eerste en laatste plaats van tewerkstelling en de tijd waarin zij zich tussen hun variabele werkplaatsen verplaatsten, arbeidstijd was.

Europese regels voor arbeidstijd

Het arbeidshof volgde de argumentatie van de werknemers en beschouwde in dit specifiek geval de verplaatsingstijd inderdaad als arbeidstijd. Het arbeidshof verwees uitgebreid naar het arrest-Tyco (C-266/14) van het Europese Hof van Justitie. In deze zaak werd geoordeeld dat de tijd die werknemers zonder vaste plaats van tewerkstelling besteden aan de verplaatsing tussen hun woonplaats en de locatie van de door de werkgever aangeduide klant, arbeidstijd is in de zin van de Europese regels inzake arbeidstijd.

Het arbeidshof stelde dat in deze zaak de verplaatsingstijd ook als arbeidstijd moest worden gezien, omdat een andere lezing in strijd zou zijn met het doel van de Europese regels. Aangezien de verplaatsingstijd als arbeidstijd gezien werd, moesten deze uren – alsook het achterstallige overloon – vergoed worden. Het arbeidshof oordeelde bovendien dat, aangezien de werknemers buiten enige sectorale regeling vielen inzake de mobiliteitsvergoeding, voor de verplaatsingstijd hetzelfde loon moest worden betaald als voor effectieve arbeid.

De werkgever werd hierdoor veroordeeld tot betaling van een aanzienlijk bedrag aan achterstallige lonen. De werknemers werden veroordeeld tot terugbetaling van de onterecht ontvangen mobiliteitsvergoeding.

Niet in alle gevallen

Hoewel het arbeidshof – en bij uitbreiding het Europees Hof van Justitie – in bovenvermelde zaken oordeelden dat de verplaatsingstijd van de woonplaats naar de eerste en laatste plaats van tewerkstelling en tussen werkplaatsen ook arbeidstijd is, mag de draagwijdte van deze rechtspraak niet overschat worden. Besluiten dat deze verplaatsingstijd in alle gevallen arbeidstijd is, is te kort door de bocht. Net zoals in voormelde zaken van het arbeidshof en het Europees Hof van Justitie, zal steeds in concreto moeten worden geoordeeld of er effectief sprake is van arbeidstijd.

Arbeidshof van Antwerpen, 17 april 2018, AR 2017/AA/141

Auteur: Sam Conix (Claeys & Engels)

 


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen