< Terug naar overzicht

Is Limosa-controleplicht door Belgische eindgebruiker Europees in orde?

Op 3 december 2014 heeft het Europees Hof van Justitie zich opnieuw uitgesproken over de Belgische Limosa-regeling. De vraag: is de voorafgaande controle/meldingsplicht door de Belgische eindgebruiker in strijd met het Europees vrij verkeer van diensten?

Buitenlandse werkgevers die werknemers naar België detacheren, moeten voor de aanvang van de tewerkstelling een Limosa-aangifte doen op www.limosa.be. Ze krijgen dan een Limosa-formulier dat hun werknemers gedurende hun tewerkstelling in België steeds bij zich moeten hebben.

De Belgische eindgebruiker bij wie de gedetacheerde werknemers aan de slag zijn, moet voor de aanvang van de tewerkstelling zelf controleren of de werknemers in het bezit zijn van het Limosa-formulier. Zoniet moet hij zelf een elektronische aangifte doen bij de RSZ. Op de niet-naleving van deze verplichting staan strafsancties (sanctie niveau 3).

De feiten

Een Belgische vennootschap (Thermotec nv) produceert industriële koelsystemen. In Polen werd een zustervennootschap (Thermotec sp. z o.o.) opgericht met eenzelfde activiteit. Tijdens een sociale inspectie in 2008 bij de Belgische vennootschap waren drie vanuit de Poolse zustervennootschap gedetacheerde werknemers aan het werk. De Poolse werknemers konden geen Limosa-formulier voorleggen.

De Belgische vennootschap en drie van haar bestuurders werden strafrechtelijk vervolgd voor de rechtbank van eerste aanleg van Mechelen, omdat ze als Belgische eindgebruiker hadden nagelaten aangifte te doen bij de RSZ van de Poolse werknemers die geen Limosa-formulier konden voorleggen.

Prejudiciële vraag

De beklaagden voerden aan dat deze meldingsplicht voor de eindgebruiker in strijd is met het Europees vrij verkeer van diensten. De rechtbank van eerste aanleg van Mechelen besloot de zaak voor te leggen aan het Europees Hof van Justitie en stelde een prejudiciële vraag.

Uitspraak van het Europees Hof

Het Europees Hof oordeelt dat de Limosa-controle/meldingsplicht en de eraan verbonden strafsancties het voor de Belgische eindgebruiker minder aantrekkelijk kan maken om gebruik te maken van een in een andere lidstaat gevestigde dienstverlener. Bijgevolg vormt de regeling een beperking van het vrij verkeer van diensten, wat in beginsel verboden is.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof een dergelijke beperking evenwel gerechtvaardigd voor zover ze beantwoordt aan een dwingende reden van algemeen belang en dat belang niet reeds wordt gewaarborgd door de regels die voor de dienstverlener in de lidstaat van de vestiging gelden. Verder moet ze geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaan dan wat voor de verwezenlijking van dat doel noodzakelijk is.

Volgens het Europees Hof maken de bescherming van gedetacheerde werknemers en de bestrijding van sociale fraude dergelijke redenen van algemeen belang uit. Bijgevolg is het aan de nationale rechter om te beoordelen of deze regeling, rekening houdend met alle relevante elementen, evenredig is voor de verwezenlijking van deze doelstellingen.

In het kader van deze beoordeling herinnert het Europees Hof eraan dat het al heeft geoordeeld dat de verplichting voor een buitenlandse werkgever om de instanties van de lidstaat van ontvangst voorafgaand in kennis te stellen van de aanwezigheid van een gedetacheerde werknemer, de vermoedelijke duur van zijn aanwezigheid en de dienst die de detachering rechtvaardigt, een doeltreffende en evenredige maatregel is. Op die manier kunnen deze instanties, enerzijds, de naleving van de sociale bepalingen en de loonregeling van de lidstaat van ontvangst gedurende de detachering controleren, rekening houdend met de verplichtingen waaraan de werkgever al in zijn thuisland is onderworpen en, anderzijds, fraude bestrijden.

Zo kan de verplichting voor de eindgebruiker om na te gaan of de werkgever aan zijn meldingsplicht heeft voldaan, beschouwd worden als het noodzakelijke uitvloeisel van deze plicht en dus als van essentieel belang voor de verwezenlijking van de met het Limosa-systeem nagestreefde doelstellingen. Ook het opleggen van strafsancties kan beschouwd worden als noodzakelijk om de naleving van een verplichting te waarborgen op voorwaarde dat de aard en het bedrag van de opgelegde sanctie in elk concreet geval evenredig zijn aan de ernst van de inbreuk die de sanctie beoogt te bestraffen.

Het Europees Hof besluit dan ook dat de Limosa-meldingsplicht voor de eindgebruiker niet in strijd is met het vrij verkeer van diensten, althans voor zover ze dient ter bescherming van werknemers en de bestrijding van sociale fraude, en vaststaat dat deze maatregel geschikt is en niet verder gaat dan noodzakelijk om deze doelstellingen te bereiken. Het is vervolgens aan de Belgische rechters om te beoordelen of dit effectief het geval is.

Bijgevolg bent u als Belgische eindgebruiker gewaarschuwd en doet u er goed aan om de werknemers die vanuit het buitenland naar uw onderneming worden gedetacheerd voorafgaandelijk te controleren of ze in het bezit zijn van een Limosa-formulier en de aangifte zelf te doen wanneer dit niet het geval is. Het is aangewezen om hiertoe de nodige procedures in uw onderneming in te stellen.

Europees Hof van Justitie, 3 december 2014 (C-315/13)

Auteur: Sophie Maes, advocaat-vennoot bij Claeys & Engels

 


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen