< Terug naar overzicht

Is een niet-concurrentievergoeding onderworpen aan RSZ-bijdragen?

Een vergoeding die door de werkgever wordt uitbetaald in het kader van een concurrentiebeding dat is afgesloten vóór de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, moet worden beschouwd als loon waarop RSZ-bijdragen verschuldigd zijn.

Wanneer het concurrentiebeding echter is afgesloten na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, kan de vergoeding die in het kader hiervan wordt uitbetaald, mits voldaan is aan bepaalde voorwaarden, vrij zijn van RSZ-bijdragen. Welke zijn deze voorwaarden?

Het Hof van Cassatie wees reeds in een arrest van 22 september 2003 erop dat de vergoeding ingevolge een niet-concurrentieovereenkomst, afgesloten na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen loon is op voorwaarde dat de partijen tijdens de arbeidsovereenkomst geen concurrentiebeding hadden gesloten en voor zover de concurrentieovereenkomst niet afgesloten is om de betaling van een opzeggingsvergoeding te ontlopen. De minister van Sociale Zaken bevestigde dit principe in zijn antwoord op 29 mei 2006 op een parlementaire vraag. Hij stelde dat een dergelijke concurrentievergoeding niet onderworpen is aan RSZ-bijdragen op voorwaarde dat het niet gaat om ‘een verdoken verbrekingsvergoeding’. Hij verduidelijkte: “Wanneer de niet-concurrentieovereenkomst gebonden is aan de arbeidsovereenkomst en één of meer elementen aantonen dat de beslissing om vergoedingen te betalen voorafging aan de niet-concurrentieovereenkomst, dan wordt een dergelijk beding beschouwd als afgesloten gedurende de arbeidsovereenkomst en wordt de uitvoering van dit beding beschouwd als loon.”

Deze principes lijken een duidelijk signaal voor bepaalde werkgevers die zouden proberen de ontslagkosten te drukken door een gedeelte van de opzegvergoeding uit te betalen in het kader van een niet-concurrentieovereenkomst die wordt afgesloten na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

In een recent arrest moest het Hof van Cassatie zich uitspreken over een cassatieberoep tegen een arrest van het Arbeidshof in Gent (afdeling Brugge) waarin het Arbeidshof had geoordeeld dat de uitbetaalde niet-concurrentievergoeding niet kon worden beschouwd als een ‘verdoken opzegvergoeding’. In deze zaak hadden de werkgever en de werknemer, na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een concurrentieovereenkomst gesloten, die voorzag in de betaling van een aanzienlijke som aan de ontslagen werknemer. Opmerkelijk is echter dat de werkgever daarnaast een opzegvergoeding had uitbetaald, die lager was dan de wettelijk bepaalde minimum opzegvergoeding. Dit was de RSZ een doorn in het oog. De RSZ beweerde dat de partijen de concurrentieovereenkomst hadden gesloten bij wijze van ‘optimalisatie’ van de ontslagkost en, meer bepaald, dat de uitbetaalde concurrentievergoeding een verdoken opzegvergoeding was waarop RSZ-bijdragen verschuldigd zijn.

De RSZ kreeg van het Arbeidshof echter ongelijk. Het Arbeidshof oordeelde dat het niet volstaat dat er een opmerkelijk lage opzegvergoeding is uitbetaald – zelfs niet als deze lager is dan de wettelijk bepaalde minimum opzegvergoeding – om te besluiten dat de niet-concurrentievergoeding een ‘verdoken opzegvergoeding’ is. De RSZ tekende cassatieberoep aan tegen dit arrest, maar vond ook bij het Hof van Cassatie geen gehoor. In een arrest van 6 september 2006 bevestigde het Hof van Cassatie het bestreden arrest van het Arbeidshof.


images
images

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen