< Terug naar overzicht

Internationaal werk. Hof van Justitie: derdelanders en uitzendarbeid

Eind 2018 sprak het Europese Hof van Justitie zich uit over de geldigheid van een nationale maatregel die een arbeidsvergunningsplicht oplegt aan EER-dienstverleners die derdelanders in het kader van uitzendarbeid ter beschikking stellen aan een gebruiker.

De Italiaanse onderneming Danieli werd in opdracht van een Oostenrijkse onderneming belast met de bouw van een draadwalserij in Oostenrijk. Voor de uitvoering van deze opdracht deed Danieli onder meer een beroep op Russische en Wit-Russische uitzendkrachten van een andere Italiaanse vennootschap behorend tot hetzelfde concern. De bevoegde lokale Oostenrijkse instantie weigerde de aanvraag voor de toelating tot arbeid (in de zin van een vrijstelling op basis van intracommunautaire dienstverlening). In het kader van de daaropvolgende juridische procedure werd een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie.
Het Hof van Justitie bouwt verder op zijn bestaande rechtspraak inzake intracommunautaire dienstverlening. Een kort overzicht van het ‘acquis communautaire’ is dus aan de orde.

Intracommunautaire dienstverlening versus toelating tot arbeid: titanenstrijd

Binnen de Europese interne markt moeten EER-dienstverleners hun diensten vrij kunnen aanbieden over de grenzen heen (hierna ‘intracommunautaire dienstverlening’ genoemd). Maatregelen die een belemmering vormen op de intracommunautaire dienstverlening zijn daarom principieel verboden.
Ondanks het vrij verkeer van werknemers behouden de lidstaten van de EU wel de bevoegdheid om hun arbeidsmigratiebeleid ten aanzien van derdelanders uit te stippelen. In het algemeen wordt dit vertaald naar het opleggen van de verplichting om te beschikken over een arbeidsvergunning voor de tewerkstelling van derdelanders.
De vraag is of het opleggen van een vergunningsplicht voor derdelanders in dienst bij een EER-dienstverlener al dan niet een ongerechtvaardigde belemmering van het recht op vrij verkeer van diensten in hoofde van de EER-dienstverlener uitmaakt.

Het arrest Vander Elst

In zijn mijlpaalarrest van 9 augustus 1994 oordeelde het Hof van Justitie dat het opleggen van een vergunningsplicht voor gedetacheerde derdelanders die in het kader van een intracommunautaire dienstverlening tijdelijk hun werkzaamheden verrichten op het grondgebied van een andere lidstaat, en legaal verblijven en werken op het grondgebied van de EER-dienstverlener, een ongerechtvaardigde belemmering vormt op het vrij verkeer van diensten.

Het arrest Essent (Vander Elst 2.0)

Op 11 september 2014 velde het Hof van Justitie het baanbrekend Essent-arrest geveld (zie vorig HR Square-artikel van 24 november 2014). De leer die werd ontwikkeld in het arrest Vander Elst werd doorgetrokken tot het geval waarin de dienstverlening bestaat uit het ter beschikking stellen van uitzendkrachten.

Het arrest Danieli (Vander Elst 3.0)

Deze zienswijze werd op 14 november 2018 opnieuw door het Hof bevestigd. Het opleggen van een arbeidsvergunningsplicht zou volgens het Hof immers niet het geschikte controlemiddel zijn. Alternatieve maatregelen zoals een voorafgaandelijke kennisgeving, al dan niet in combinatie met het verschaffen van een aantal inlichtingen, zouden volgens het Hof wel kunnen worden gerechtvaardigd.

HvJ 14 november 2018, nr. C-18/17, ECLI:EU:C:2018:904, Danieli & C. Officine Meccaniche e.a.

Simon Albers
Advocaat Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen