< Terug naar overzicht

Internationaal werk: heffing op opzeggingsvergoedingen

De nieuwe OESO-commentaar verduidelijkt regels rond opzeggingsvergoedingen. Welk land heeft de heffingsbevoegdheid?

De OESO-Raad keurde op 15 juli 2014 de ‘2014 Update’ van het OESO-Modelverdrag goed. Daarbij valt vooral de nieuwe commentaar op artikel 15 van het OESO-Modelverdrag (Inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid) op, die zich toespitst op opzegvergoedingen, ontslagvergoedingen en niet-concurrentievergoedingen. Dit nieuwe Modelverdrag wijzigt de bestaande Dubbelbelastingverdragen niet, maar speelt wel een rol, zowel in de interpretatie van de oude Dubbelbelastingverdragen als bij het afsluiten van nieuwe verdragen.

Opzeg- en/of ontslagvergoedingen

Het onderscheid tussen deze twee types vergoedingen is naar Belgisch recht niet erg relevant, maar heeft belang in een internationale context. Een opzegvergoeding (“payment in lieu of notice of termination”) wordt toegekend ter compensatie van een niet-gepresteerde opzeggingstermijn. De vergoeding komt overeen met het loon dat de werknemer normaliter zou ontvangen tijdens de opzeggingstermijn.

Een ontslagvergoeding (“severance payment”), daarentegen, is een vergoeding die de werkgever (wettelijk of contractueel) verschuldigd is aan een werknemer die wordt berekend op basis van de in het verleden gepresteerde werkzaamheden bij de werkgever.

De OESO-commentaar beschouwt beide vergoedingen als lonen, beloningen verkregen ter zake van een dienstbetrekking die onder artikel 15 van het Modelverdrag vallen. Dit standpunt werd vroeger al verdedigd door de meerderheid van de internationale rechtspraak en rechtsleer, maar wordt nu expliciet bevestigd door de OESO.

Heffingsbevoegdheid: woonstaat of werkstaat?

Het onderscheid tussen beide categorieën vindt zijn belang in de toekenning van de heffingsbevoegdheid aan de woonstaat of aan de werkstaat van de betrokken werknemer. Het OESO-Modelverdrag wijst de heffingsbevoegdheid voor lonen en beloningen immers toe aan de werkstaat. Opzeg- en ontslagvergoedingen worden echter verkregen zonder dat hier effectieve arbeid tegenover staat. Sinds lang bestond dus de vraag welk land (de woonstaat of de werkstaat) heffingsbevoegd was voor deze vergoedingen.

De OESO bepaalt nu uitdrukkelijk dat een opzegvergoeding beschouwd moet worden als een beloning voor een dienstbetrekking die uitgeoefend zou worden in de staat waar de werknemer tijdens de opzeggingstermijn redelijkerwijze had moeten presteren. De werkstaat op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zal bijgevolg meestal heffingsbevoegd zijn. In het kader van een ‘salary split’-situatie leidt dit ertoe dat de heffingsbevoegdheid gespreid ligt over meerdere landen.

Voor ontslagvergoedingen bepaalt de OESO dan weer dat deze beschouwd moeten worden als een beloning voor de laatste 12 maanden van de dienstbetrekking (tenzij uit de feiten blijkt dat deze een andere periode vergoeden). De ontslagvergoeding moet dan verdeeld worden over de landen waarin gedurende deze periode gewerkt werd. Ook dit kan leiden tot een gespreide heffingsbevoegdheid.

Toepassing naar Belgisch recht

In België kennen we het onderscheid tussen ontslag- en opzegvergoedingen niet. De berekening van de opzegtermijn houdt onder Belgisch recht evenwel rekening met de anciënniteit, waardoor de Belgische opzeggingsvergoeding elementen van zowel ontslag- als opzegvergoedingen combineert.

De Belgische fiscus maakte in haar Circulaire van 25 mei 2005 een onderscheid tussen ‘compenserende’ en ‘niet-compenserende’ opzegvergoedingen. Onder compenserende opzegvergoedingen werden vergoedingen verstaan die toegekend worden volgens de Belgische arbeidswetgeving. Niet-compenserende vergoedingen worden dan weer betaald in landen waarin geen wettelijke opzegtermijn bestaat óf worden in België extra-wettelijk toegekend.

Voor compenserende opzegvergoedingen komt de heffingsbevoegdheid volgens de fiscus toe aan het land waar de activiteit wordt uitgeoefend op het ogenblik van verbreking van de arbeidsovereenkomst. Dit wordt dus weerspiegeld in de nieuwe OESO-commentaar voor opzegvergoedingen.

Voor niet-compenserende vergoedingen komt de heffingsbevoegdheid volgens de Belgische fiscus toe aan de landen waarin de activiteiten, waarop de vergoeding betrekking heeft, werd uitgeoefend. De OESO bevestigt ook dit principe voor ontslagvergoedingen, maar bepaalt onmiddellijk een referentieperiode (van 12 maanden) waarnaar men moet kijken om de landen te bepalen waarin de activiteiten uitgeoefend werden (behalve als uit de feiten een andere periode volgt).

Wat met niet-concurrentievergoedingen?

Oorspronkelijk bepaalden noch het Modelverdrag, noch de Commentaren iets over niet-concurrentievergoedingen. De Belgische rechtspraak en de Belgische fiscus kwamen tot de conclusie dat ook deze vergoedingen onder artikel 15 van het Modelverdrag moeten vallen en wezen de heffingsbevoegdheid in de meeste gevallen toe aan de woonstaat van de betrokken werknemer, omdat hij geacht werd daar de activiteit, namelijk het onthouden van concurrentie, te vervullen.

Ook de OESO sluit zich hier nu bij aan en bepaalt dat de niet-concurrentievergoeding “in de meeste gevallen” belast moet worden in de woonstaat van de betrokkene op het ogenblik dat hij de vergoeding ontvangt. Naargelang van de concrete omstandigheden zou de heffingsbevoegdheid dus wel gespreid kunnen worden. We denken bijvoorbeeld aan een Frans inwoner die een niet-concurrentiebeding afsluit waarin hij verklaart geen concurrentie te plegen op het Belgische grondgebied. In dit geval zal België heffingsbevoegd zijn.

Conclusie

Kort samengevat, bevestigen de nieuwe OESO-commentaren de bestaande Belgische praktijk inzake de bevoegdheid tot belasten van opzeggingsvergoedingen. Daarnaast wijst de OESO de heffingsbevoegdheid voor niet-concurrentievergoedingen over het algemeen toe aan de woonstaat.

Auteur: Koen Fransaer (advocaat Claeys & Engels)

 


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen