< Terug naar overzicht

Internationaal Werk. Bestuurdersbezoldigingen in internationale context: fiscale en parafiscale aspecten

In internationaal actieve groepen is het zeer gebruikelijk dat bepaalde sleutelfiguren een zogenaamde groepsfunctie hebben. Zij hebben niet enkel verantwoordelijkheden binnen een welbepaalde vennootschap, maar ook op groepsniveau, minstens voor meer vennootschappen van de groep. In de praktijk hebben die personen dan ook vaak bestuursmandaten in verscheidene vennootschappen over de grenzen heen. De vraag is vaak waar (en hoe) de bezoldigingen voor deze mandaten belast worden.

Dankzij de talloze dubbelbelastingverdragen die staten hebben afgesloten, wordt een dubbele belastingheffing doorgaans vermeden omdat één enkele heffingsbevoegde staat wordt aangewezen. In afwijking van de toepasselijke bepalingen inzake werknemersbezoldigingen (‘de 183-dagen regel’) en inkomsten voor zelfstandige activiteiten (‘vaste basis’) waar de fysieke aanwezigheid een belangrijk aanknopingspunt is om de heffingsbevoegde staat aan te wijzen, wordt de heffingsbevoegdheid van bestuurdersbezoldigingen doorgaans toegewezen aan de staat waarin de vennootschap gelegen is waarin het mandaat wordt uitgeoefend, zonder enige vereiste van fysieke aanwezigheid. In de heffingsbevoegde staat worden deze bezoldigingen vervolgens belast op basis van de interne fiscale regelgeving.

De mogelijkheid van belastbaarheid van inkomen in een andere staat, zonder dat de persoon daar fysiek aanwezig moet zijn, is - zeker voor Belgisch fiscaal rijksinwoners - aanlokkelijk. Niet zelden verliest men jammer genoeg de (potentiële) sociaal zekerheidsrechtelijke impact hiervan uit het oog. Dat heeft soms bijzonder verregaande (financiële) gevolgen, zowel voor de betrokken persoon, voor de vennootschap waarin men het mandaat uitoefent maar ook voor andere vennootschappen die vergoedingen toekennen aan de persoon.

Nochtans zijn de spelregels zeker binnen de EER (incl. Zwitserland) duidelijk. In een EER/Zwitserse context vervult Verordening nr. 883/2004 van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels een coördinerende rol. Op basis van de Verordening wordt namelijk de staat aangewezen waarvan het sociaal zekerheidsrechtelijke stelsel als enige van toepassing is. In tegenstelling tot wat geldt op fiscaal vlak (waar men in meer landen belastingplichtig kan zijn), kan men in een EER/Zwitserse context slechts onderworpen zijn aan het sociaal zekerheidsstelsel van een enkele lidstaat.

Praktische toepassing in twee stappen

In eerste instantie moet de staat aangewezen worden waarvan het sociaal zekerheidsstelsel van toepassing zal zijn. De Verordening wijst deze (als algemene regel) onder meer aan op basis van de staten waarin de activiteiten plaatsvinden en de aard (loondienst/zelfstandige) van de werkzaamheden. Voor de aard van de werkzaamheden bepaalt de Verordening dat de kwalificatie van de staat waarin de werkzaamheden fysiek plaats vinden, gehanteerd moet worden. Waar bestuurders volgens de Belgische regels zelfstandigen zijn, is dit zeker niet het geval voor andere staten. Abstractie makend van de gevallen waarin de bestuurder een bepaald aandelenbezit heeft en andere ‘punctuele’ uitzonderingen op de regel, beschouwen landen als Nederland, Duitsland, Zwitserland, het Verenigd Koninkrijk en Luxemburg bestuurders doorgaans als werknemers.

Aangezien een werknemersstatuut vaak als een ‘spons’ werkt om de bevoegde staat aan te wijzen, waardoor een bijkomende werkzaamheid in loondienst een - in sommige gevallen verrassende - shift van toepasselijk sociaal zekerheidsstelsel kan veroorzaken, kan dit verregaande gevolgen hebben, zeker indien men slechts zeer beperkt in de woonstaat werkt.

De tweede stap, eens de staat is aangewezen waarvan het sociaal zekerheidsstelsel van toepassing is, bestaat erin de ‘aard’ van sociale zekerheidsbijdragen die verschuldigd zijn te bepalen. In België vertaalt zich dit in de vraag of er sociale zekerheidsbijdragen als werknemer en/of als zelfstandige verschuldigd zijn.

De vraag hier is of dit moet gebeuren op basis van de kwalificatie van de staat waarin de werkzaamheden fysiek worden uitgeoefend (zoals dit het geval is voor de toepassing van de Verordening) of op basis van de regels van de staat waarvan het sociaal zekerheidsstelsel van toepassing is. De Verordening biedt geen antwoord op deze vraag, met als gevolg dat staten vrij zijn om dit zelf te bepalen.

Tot eind 2017 werd in België de eerste methode toegepast. Met andere woorden, indien het Belgisch sociaal zekerheidsstelsel van toepassing was, werd de buitenlandse kwalificatie overgenomen om te bepalen welk type sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd waren. Deze methode is in de meeste andere staten terug te vinden, zoals Nederland.

Ten gevolge een administratieve beslissing van 21 december 2017 vond er echter een shift van de eerste methode naar de tweede plaats. Voortaan gaat België dus - indien het Belgisch sociaal zekerheidsstelsel wordt aangewezen op basis van de Verordening - over tot een herkwalificatie van de werkzaamheden op basis van de Belgische interne regels. Voor bestuurdersbezoldigingen heeft dit belangrijke gevolgen omdat de Belgische sociale zekerheidsbijdragen voor zelfstandigen lager zijn dan deze voor werknemers en bovendien geplafonneerd zijn (op 16.911,40 euro) voor een referte-inkomen van 88.119,80 euro voor inkomstenjaar 2019), dit in tegenstelling tot de sociale zekerheidsbijdragen voor werknemers.

In de praktijk merken we op dat het de moeite kan lonen om te verifiëren of voornoemde administratieve beslissing een impact heeft op de huidige werkwijze binnen een onderneming. In sommige gevallen worden nog steeds sociale zekerheidsbijdragen voor werknemers betaald op buitenlandse bestuurdersvergoedingen waar in principe sociale zekerheidsbijdragen voor zelfstandigen verschuldigd zijn.

Jan Lein, advocaat Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen