< Terug naar overzicht

Impliciet ontslag: wat is een 'redelijke' termijn?

Binnen welke termijn moet een werknemer een standpunt innemen als hij of zij zich wil beroepen op 'impliciet ontslag'?

Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie stelt een partij die eenzijdig een ‘essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst’ (bijvoorbeeld het loon of de functie) in belangrijke mate wijzigt, impliciet een einde aan de arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst wordt dan geacht met onmiddellijke ingang te zijn beëindigd. Er is sprake van ‘impliciet ontslag’.

Vereist is wel dat de andere partij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vaststelt. Deze is immers niet verplicht om zich op de beëindiging te beroepen. Hij of zij zou ervoor kunnen kiezen om de arbeidsrelatie onder de gewijzigde omstandigheden toch verder te zetten. Uit de verdere uitvoering van de (gewijzigde) arbeidsovereenkomst, zonder enig protest, zou men kunnen afleiden dat de betrokken contractspartij afziet van de mogelijkheid om zich op ‘impliciet ontslag’ te beroepen. Cruciaal is dus te weten binnen welke periode een partij geacht wordt een standpunt in te nemen in geval van een wijziging van zijn of haar arbeidsvoorwaarden.

Het arbeidshof in Brussel velde recentelijk een interessant arrest, waarin uitspraak werd gedaan over deze problematiek. In de zaak die aan het hof werd voorgelegd, had de betrokken werknemer gedurende verschillende jaren de functie van kwaliteitscoördinator uitgeoefend. Op 1 april 2002 verdween deze functie echter in het kader van een fusie. De werknemer kreeg een nieuwe functie toegewezen. Hij werd verantwoordelijke van de afdeling Communicatie Distributie, die hij ook aanvaardde. Tot in september 2002 uitte de werknemer op geen enkele wijze enig protest of voorbehoud. Naar eigen zeggen was dit omdat hij had gehoopt dat het slechts een tijdelijke functie betrof en omdat hij ervan was uitgegaan dat, eens de fusie volledig doorgevoerd zou zijn, er weer plaats zou zijn voor hem als kwaliteitscoördinator.

In september van hetzelfde jaar, nadat hij door zijn werkgever werd verzocht om niet langer in een extern kwaliteitsnetwerk te zetelen, drong het – althans volgens de werknemer – pas tot hem door dat er helemaal geen mogelijkheden meer voor hem waren op het gebied van kwaliteitsmanagement. Hij informeerde dan ook bij zijn werkgever of hij niet kon vertrekken, mits betaling van een opzeggingsvergoeding door zijn werkgever.

De werkgever weigerde hierop in te gaan, waarna de werknemer, op 30 december 2002, contractbreuk vaststelde in hoofde van de werkgever, omdat deze zijn functie eenzijdig en in belangrijke mate zou hebben gewijzigd.

De arbeidsrechtbank was van oordeel dat de werknemer in deze zaak terecht impliciet ontslag had ingeroepen en veroordeelde de werkgever tot betaling van een opzeggingvergoeding. De werkgever kon zich hiermee niet akkoord verklaren en tekende hoger beroep aan tegen het vonnis.

Het arbeidshof in Brussel onderzocht de zaak opnieuw en oordeelde dat de werknemer niet binnen een redelijke bedenktijd een standpunt had ingenomen ten aanzien van de doorgevoerde functiewijziging. Hij had zijn functie immers gedurende zes maanden uitgeoefend zonder zijn werkgever ook maar in gebreke te stellen om hem een gelijkwaardige functie als die van kwaliteitsmanager aan te bieden. En ook al zou het pas na verloop van deze zes maanden tot de werknemer zijn doorgedrongen dat hij zijn oude functie niet meer zou terugkrijgen, dan nog had de werknemer nog drie maanden en een half laten verstrijken alvorens het impliciet ontslag in te roepen. Drie en een halve maand is voor het arbeidshof dus te lang om een standpunt in te nemen.

In toepassing van deze rechtspraak van het Hof van Cassatie leidde het arbeidshof hieruit af dat de werknemer de gewijzigde functie had aanvaard en ervan had afgezien zich op de onrechtmatige beëindiging te beroepen. Het hof voegde er overigens nog aan toe dat het erop leek dat de werknemer zich pas op ‘impliciet ontslag’ heeft beroepen nadat zijn werkgever had geweigerd om in te gaan op vraag om te worden ontslagen met betaling van een opzeggingsvergoeding.

Arbeidshof Brussel, 8 januari 2010, A.R. nr. 2009/AB/51.868

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen