< Terug naar overzicht

Geen arbeidskaart nodig voor sommige niet-EU-uitzendkrachten

Het arrest-Essent: is er dan toch geen arbeidskaart nodig voor gedetacheerde niet-EU-uitzendkrachten vanuit een andere EU-lidstaat?

Het opleggen van een arbeidskaartverplichting aan niet-EU-werknemers die door hun werkgever gevestigd in een EU-lidstaat ter beschikking worden gesteld aan een klant in een andere EU-lidstaat is door het Hof van Justitie in het arrest-Essent strijdig bevonden met het vrij verkeer van diensten dat binnen de EU geldt. Minder verregaande beperkingen aan dat vrij verkeer van diensten (zoals een voorafgaandelijke melding en/of een controle door de ontvangende EU-lidstaat) kunnen er evengoed voor zorgen dat het vrij verkeer van diensten niet misbruikt wordt.

Dit arrest is verrassend te noemen: op basis van vroegere rechtspraak van het Hof van Justitie werd immers aangenomen dat de arbeidskaartverplichting voor niet-EU-werknemers wel kon worden opgelegd indien de dienst enkel bestaat in een terbeschikkingstelling van werknemers. Ten onrechte, zo blijkt nu.

Turkse werknemers uit Duits bedrijf in Nederland

De Nederlandse onderneming Essent deed voor het uitvoeren van bepaalde werken een beroep op een Nederlandse firma, die op haar beurt een in Duitsland gevestigde onderneming inschakelde voor de levering van werknemers waarmee zij de werken voor Essent uitvoerde. Een aantal van deze werknemers hadden de Turkse nationaliteit, maar verbleven legaal in Duitsland en mochten daar ook werken.

De dienst die de Duitse onderneming leverde, was dus beperkt tot het ter beschikking stellen van onder andere Turkse werknemers aan de Nederlandse tussenschakel, die de werken voor Essent uitvoerde met behulp van die werknemers.

In die omstandigheden was de eerdere rechtspraak van het Hof van Justitie die de arbeidskaartverplichting voor niet-EU-werknemers verbiedt bij intracommunautaire dienstverlening niet van toepassing volgens Nederland. Naar Nederlands recht is het verboden om vreemdelingen in Nederland te laten werken zonder een tewerkstellingsvergunning (= arbeidskaart), behalve voor een vreemdeling die in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening tijdelijk in Nederland arbeid verricht in dienst van een werkgever die in een andere EU-lidstaat is gevestigd. De arbeidskaartplicht blijft echter overeind indien de dienst slechts bestaat in het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.

Kortom, naar intern Nederlands recht moesten de Turkse werknemers over een Nederlandse tewerkstellingsvergunning (= arbeidskaart) beschikken om in Nederland te mogen werken. Omdat dat niet het geval was, kreeg Essent (dat als ‘werkgever’ van de werknemers werd beschouwd) een fikse boete opgelegd.

Het arrest

Essent was het niet eens met de boete en trok naar de nationale rechter, die een prejudiciële vraag stelde aan het Hof van Justitie. Meer specifiek vroeg de Nederlandse rechter of het Nederlandse recht op dit punt wel verenigbaar was met twee tussen de EU en Turkije bestaande rechtsinstrumenten. Die instrumenten verbieden in essentie om nieuwe belemmeringen in het dienstenverkeer enerzijds en de toegang tot de arbeidsmarkt voor Turkse werknemers anderzijds op te leggen (het gaat dus om ‘standstill’-verplichtingen). Het Hof van Justitie oordeelde dat in de gegeven omstandigheden geen van beide instrumenten toepasselijk was.

Daarmee was de kous echter nog niet af. Hoewel de nationale rechter daar niet om verzocht had in zijn prejudiciële vraag, besloot het Hof van Justitie om de voorgelegde situatie te toetsen aan het vrij verkeer van diensten dat binnen de EU van toepassing is.

Het Hof van Justitie concludeerde tot het bestaan van een belemmering die strijdig is met het vrij verkeer van diensten. Minder ingrijpende controlemaatregelen, zoals een voorafgaandelijke meldingsplicht of een controle op de legaliteit van de tewerkstelling in het thuisland en op de realiteit van de dienstverlening, zouden volgens het Hof van Justitie evengoed kunnen voorkomen dat het vrij verkeer van diensten wordt misbruikt voor een ander doel dan de eigenlijke dienstverlening.

De impact op de arbeidskaartverplichting

Dit arrest is baanbrekend te noemen. Weliswaar stond al lang vast dat het vrij verkeer van diensten niet toestaat dat een arbeidskaart verkregen moet worden voor niet-EU-werknemers van een werkgever die met die werknemers diensten verricht in een andere EU-lidstaat. Maar op basis van eerdere rechtspraak van het Hof van Justitie werd algemeen aangenomen dat de arbeidskaartverplichting wel nog kon blijven bestaan indien de dienst slechts bestond in het ter beschikking stellen van werknemers (bijvoorbeeld bij uitzendarbeid).

Die interpretatie blijkt nu niet langer stand te kunnen houden: het arrest-Essent lijkt er op neer te komen dat het opleggen van de arbeidskaartverplichting aan niet-EU-uitzendkrachten die door een uitzendkantoor gevestigd in EU-lidstaat A ter beschikking worden gesteld aan een klant in EU-lidstaat B, niet langer kan worden gehandhaafd.

Uiteraard mag lidstaat B wel controleren of die werknemers over een arbeidskaart en verblijfsvergunning in lidstaat A beschikken en of zij daar sociaal verzekerd zijn. De vrijstelling van arbeidskaart zal dan ook slechts van toepassing zijn indien aan die voorwaarden voldaan is. Die controlemogelijkheid kan worden gecombineerd met een voorafgaandelijke meldingsplicht van de desbetreffende werknemers, maar dus niet met een arbeidskaartverplichting in de lidstaat van ontvangst die volgens het Hof van Justitie een disproportioneel zware belemmering van het vrij verkeer van diensten zou betekenen.

Hof van Justitie van de Europese Unie, 11 september 2014, C-91/13 (Essent)

Auteur: Martijn Baert, advocaat bij Claeys & Engels

 


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen