< Terug naar overzicht

Ernstig arbeidsongeval kan leiden tot strafvervolging

Inbreuken op de Welzijnswet en/of haar uitvoeringsbesluiten kunnen leiden tot strafvervolging van de werkgever en/of van één of meer fysieke personen (bijvoorbeeld bestuurders, zaakvoerders en ploegoversten). In de praktijk gebeurt dit vaak na een ernst

Op 25 maart 2010 heeft het hof van beroep in Gent zich uitgesproken over de strafrechtelijke gevolgen van een ernstig arbeidsongeval. Deze zaak betreft een explosie die zich enkele jaren geleden heeft voorgedaan in een chemische onderneming, waarbij één werknemer om het leven is gekomen en een andere werknemer gewond was geraakt.

De inspectie Toezicht Welzijn op het Werk (TWW) had na het ongeval diverse (lijvige) inspectieverslagen opgesteld, waarin ze brandhout maakte van het welzijnsbeleid van de onderneming. De Inspectie TWW beweerde dat er te laks werd omgesprongen met de regels op het gebied van veiligheid en dat de werkgever op dit vlak alleen een ‘reactief’ beleid voerde (dus niet preventief).

Schuldig in eerste instantie


Het Arbeidsauditoraat besliste daarop om de werkgever strafrechtelijk te vervolgen, meer bepaald voor vijf inbreuken op de Welzijnswetgeving, alsook voor de misdrijven ‘onopzettelijke slagen en verwondingen’ en ‘onopzettelijke doding’. De werkgever werd over de hele lijn schuldig bevonden door de correctionele rechtbank te Brugge, die van oordeel was dat de werkgever onvoldoende maatregelen had getroffen om de risico’s te beperken en ongevallen te vermijden.

De werkgever tekende echter hoger beroep aan tegen dit vonnis, zodat de zaak voor het hof van beroep te Gent werd gebracht. Het arrest van het hof van 25 maart 2010 wijkt in belangrijke mate af van het oordeel van de correctionele rechtbank en is om meerdere redenen interessant voor de werkgevers.

Andere conclusie


Het hof van beroep te Gent kwam tot de conclusie dat de onderneming zich niet schuldig had gemaakt aan de misdrijven ‘onopzettelijke slagen en verwondingen’ en ‘onopzettelijke doding’. Het hof vond dat de beklaagde uitvoerig had aangetoond (aan de hand van een lijvig stukkenbundel) dat hij tal van maatregelen had getroffen en belangrijke investeringen had gedaan in het kader van haar welzijnsbeleid.

Belangrijk in dit verband is de overweging van het hof over de bewijslast, waar het hof stelt dat “het bewijs van de tenlastelegging (…) alleen maar (kan) worden geleverd voor zover het Openbaar Ministerie aantoont dat de middelenverbintenis die aan de werkgever wordt opgelegd om als een goed en zorgvuldig bedrijfsleider tewerk te gaan niet werd nagekomen. Het louter feit dat de ontploffing zich heeft voorgedaan (…) is niet voldoende (…).”

Nu het hof van beroep aanvaardde dat de verplichtingen in hoofde van de werkgever een ‘middelenverbintenis’ impliceren, rustte er een zware bewijslast op het Openbaar Ministerie, dat moest kunnen bewijzen dat “het bedrijf (…) in gebreke is gebleven in de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht na te komen.”

Het hof voegde er nog aan toe dat deze beoordeling dient te gebeuren door toetsing van de gedragingen van de onderneming aan deze van de “goede en zorgvuldige bedrijfsleider.”

Gelet op de talrijke bewijsstukken die door de beklaagde werden voorgelegd omtrent het welzijnsbeleid in het algemeen, omtrent de talrijke getroffen preventiemaatregelen en omtrent de zware investeringen die de onderneming op dit vlak reeds had gedaan, kwam het hof van beroep tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie faalde in de bewijslast.

Opschorting


De onderneming werd uiteindelijk vrijgesproken voor zes van de zeven tenlasteleggingen. Slechts één (technische) inbreuk op de Welzijnswetgeving werd weerhouden. Doch daarover stelde het hof dat deze inbreuk geenszins het ongeval had veroorzaakt, zodat de onderneming niet ‘verantwoordelijk’ kon worden gesteld voor het ernstig arbeidsongeval van haar werknemers.

Omdat de beklaagde bovendien had aangetoond dat een strafrechtelijke veroordeling ernstige negatieve gevolgen met zich mee zou brengen voor de werking van de onderneming, kende het hof voor deze (enige) inbreuk de gunst van ‘opschorting van veroordeling’ toe. Dit betekent concreet dat er geen veroordeling werd uitgesproken voor het (ene) bewezen geachte feit, voor zover de onderneming geen nieuw misdrijf zou plegen binnen een vooropgestelde periode van drie jaar.

In deze zaak is het dus uiteindelijk (relatief) goed afgelopen voor de betrokken werkgever, maar dat is zeker niet altijd het geval. Belangrijk om weten, is dat een ernstig arbeidsongeval in vele gevallen leidt tot strafvervolging van de onderneming en zelfs van één of meer fysieke personen. Indien het gaat om een ongeval van een derde (lees: geen werknemer van de onderneming), bestaat bovendien het risico op burgerlijke schadeclaims, zowel van het slachtoffer (of van de nabestaanden), als van de arbeidsongevallenverzekering. Voorkomen is in ieder geval de beste oplossing…

Hof van beroep te Gent, 3de Corr. Kamer, 25 maart 2010, not.50/08 AG

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen