< Terug naar overzicht

De tweede verblijfplaats nabij de werkplaats: aftrekbare kosten?

In sommige gevallen is het belangrijk dat een personeelslid dicht bij de werkzetel woont, zeker wanneer hij plots opgeroepen kan worden of onregelmatige werkuren heeft. Kan hij een tweede verblijfplaats dan fiscaal inbrengen als beroepskosten?

Belastingplichtigen maken in hun belastingaangifte een keuze tussen forfaitaire beroepskosten (zelfstandigen met baten maximaal 3980 euro, werknemers maximaal 4240 euro) of reële beroepskosten. Het is slechts zinvol te opteren voor de reële kosten wanneer deze hoger zijn dan het forfait. In bepaalde omstandigheden is het inderdaad mogelijk dat de reële kosten hoger zijn dan het forfait, bijvoorbeeld in het geval waar de kosten van een tweede verblijfplaats afgetrokken kunnen worden. 

Kosten verbonden aan de beroepswerkzaamheid zijn in principe aftrekbare beroepskosten. Uitgaven van persoonlijke aard, zoals de huurprijs en -lasten van een woning zijn echter per definitie niet aftrekbaar. Het Hof van Cassatie heeft evenwel ondertussen reeds meermaals bevestigd dat in bepaalde omstandigheden de beroepswerkzaamheid het huren van een tweede verblijfplaats nabij de werkplaats vereist waardoor de eraan verbonden uitgaven aftrekbare beroepskosten vormen (zie onder meer Hof van Cassatie, 13 oktober 1989). 

De noodzakelijkheid van deze kosten kan volgens de fiscale administratie aanvaard worden ofwel indien de werknemer aantoont dat hij door het huren van de tweede verblijfplaats een abnormaal lange of ongewoon moeilijke pendel vermijdt, ofwel indien hij aantoont dat hij buiten de werkuren nog opgeroepen kan worden en hij te ver van zijn werkplaats woont om daaraan snel genoeg gevolg te kunnen geven. 

Wat zijn aftrekbare beroepskosten in dit geval? 

Er heerst bovendien zowel in de rechtspraak (Gent, 20 januari 2000) als binnen de rulingcommissie (Voorafgaande Beslissing nr. 2014.420 van 9 september 2014) een tendens om ook de uitgaven in het kader van de aankoop van een tweede verblijfplaats in de nabijheid van de werkplaats te beschouwen als aftrekbare beroepskosten, aangezien de wetsbepalingen inzake de aftrek van beroepskosten geen enkel onderscheid maken tussen de huur en de aankoop van activa die voor de beroepswerkzaamheden worden aangewend. 

Initieel werd deze aftrekbaarheid beperkt door de rulingcommissie tot de huurprijs die voor een vergelijkbaar appartement betaald zou moeten worden. De rechtbank van eerste aanleg in Leuven ging in haar arrest van 10 oktober 2014 evenwel nog een stapje verder. In het onderhavige geval werden nagenoeg alle uitgaven die met de aankoop van de tweede verblijfplaats verbonden waren (uitgezonderd kosten voor elektriciteit, aardgas en water) als aftrekbare beroepskosten beschouwd. 

Is tweede verblijfplaats noodzakelijk voor het werk?

Het is echter steeds aan de belastingplichtige om in concreto aan te tonen dat deze tweede verblijfplaats effectief noodzakelijk is voor de tewerkstelling en derhalve als beroepsmatig te beschouwen valt. Uit de rechtspraak blijkt dat de aftrekbaarheid doorgaans wordt aanvaard voor onder andere medische beroepen, aangezien zij worden verwacht zich binnen een korte termijn naar de werkplaats te kunnen begeven, alsook in het geval waarin de betrokken belastingplichtige laat op de avond prestaties moet verrichten terwijl er op dat uur geen openbaar vervoer meer rijdt. De rechtspraak toont eveneens aan dat voornamelijk rekening wordt gehouden met de af te leggen afstand tussen de hoofdverblijfplaats en de plaats van de tewerkstelling, structurele files, alsook de werkuren. 

Dat het evenwel niet altijd vanzelfsprekend is voor de belastingplichtige om de fiscale administratie te overtuigen van de noodzakelijkheid van deze tweede verblijfplaats, blijkt uit een recent arrest van het hof van beroep van Antwerpen van 16 februari 2016. In onderhavig geval woonde de belastingplichtige officieel in Antwerpen, maar huurde een appartement in Brussel en trok de huurkosten hieraan verbonden af als beroepskosten in het kader van een tweede verblijfplaats nabij de werkplaats. De belastingplichtige verwees ter verantwoording van de noodzakelijkheid van deze beroepskosten naar structurele files en het feit dat hij managementverantwoordelijkheid had als gevolg waarvan hij minstens tijdens de kantooruren aanwezig moest zijn, onregelmatige werkuren had en twee plaatsen van tewerkstelling had. 

In eerste aanleg oordeelde de rechter dat de belastingplichtige niet aan de hand van feitelijke omstandigheden aantoonde dat de huurkosten noodzakelijk waren voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid. De belastingplichtige leverde meer bepaald niet het bewijs dat hij binnen dermate korte termijn op kantoor moest zijn, dat het huren van een bijkomende verblijfsgelegenheid noodzakelijk was. Ook de appelrechter volgde deze redenering. De appelrechter meende dat het feit dat de aanwezigheid op kantoor ook na de normale werkuren zou kunnen worden gevraagd en dat de betrokken belastingplichtige onregelmatige uren diende te presteren, niet impliceerde dat hij in Brussel diende te verblijven. De rechter oordeelde dat er tegenstrijdige verklaringen werden gegeven omtrent de vereiste om aanwezig te kunnen zijn op kantoor binnen een vooropgestelde termijn. Ook zouden de vermelde omstandigheden waarvoor de belastingplichtige zich naar kantoor zou moeten begeven zeer uitzonderlijk zijn en zouden deze zich voornamelijk voordoen tijdens de werkuren waardoor het hebben van een verblijfplaats in de onmiddellijke nabijheid van het werk niet noodzakelijk was. 

Wat zeggen de ‘feiten’? 

Het bovenstaande arrest toont aan dat de aftrek van de kosten voor een tweede verblijf een feitenkwestie blijft. De rechtspraak heeft zich al regelmatig over dit onderwerp moeten buigen en het zal dus steeds opnieuw – in geval van betwisting door de fiscale administratie – aan de belastingplichtige zijn om met het oog op de aftrek van de betrokken uitgaven met de nodige bewijselementen aan te tonen dat de beroepswerkzaamheid effectief het huren of aankopen van een tweede verblijfplaats nabij de werkplaats vereist. 

Hof van Cassatie, 13 oktober 1989, AR F 1781 N (Belgische Staat / Bouvier, Brackx). 

Gent, 20 januari 2000, 1996/FR/170. 

Voorafgaande Beslissing nr. 2014.420 dd. 09.09.2014. 

Rechtbank van Leuven, 10 oktober 2014, 13/485/A_13/1821/A.

Antwerpen, 16 februari 2016, 2014/AR/2511 

Auteur: Laurine Vanherck (Claeys & Engels)

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen