< Terug naar overzicht

De aangekondigde fiscale controle op gedetacheerde werknemers

Naar goede gewoonte kondigt de Belgische fiscale administratie jaarlijks de specifieke aandachtspunten van toekomstige controles aan. In een communicatie op haar website van 27 april 2018 kondigde de FOD Financiën aan dat ondernemingen een verhoogd risico op een controle zullen lopen als ze de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet hebben ingehouden op de bezoldigingen die ze hebben betaald aan buitenlandse werknemers die naar België gedetacheerd worden voor een periode langer dan 183 dagen per jaar.

Enkele weken voordien werd al gecommuniceerd dat ook de fiscale situatie van (onder meer) naar België gedetacheerde werknemers onderzocht zou worden, dit op verzoek van het kabinet van de minister van Financiën. Deze specifieke controle valt te situeren in een ruimere controle van gedetacheerde werknemers (bijvoorbeeld sociale zekerheid A1-formulier, arbeidsduur, arbeidsvoorwaarden en dergelijke meer). Voor het fiscale luik van deze controle zouden potentiële belastingplichtigen opgespoord worden aan de hand van de Limosa-applicatie van de RSZ. Hierbij zou men zich focussen op naar België gedetacheerde werknemers die langer dan 183 dagen in België verblijven.

Vooreerst kan een verblijf langer dan 183 dagen in België impliceren dat de werknemer een Belgisch rijksinwoner is (geworden) voor fiscale doeleinden, waardoor hij onderworpen is aan de personenbelasting op zijn wereldwijde inkomen. Praktisch gezien gaat het om personen die hun woonplaats (de zetel van hun ‘familiale’ belangen) in België hebben en/of hun zetel van fortuin (het centrum van hun ‘materiële’ belangen).

183 dagen

Het hanteren van de 183 dagengrens duidt er echter op dat vooral aandacht besteed zal worden aan personen die potentieel belastbaar zijn in de belasting van de niet-inwoners, en dus enkel op hun Belgische inkomsten voor Belgische beroepswerkzaamheden als werknemer. De 183 dagenregel (artikel 15 van het OESO-modelverdrag) of een equivalente bepaling is namelijk terug te vinden in (naar ons weten) elk dubbelbelastingverdrag ter wereld en is van cruciaal belang om te bepalen in welke staat een werknemer belastbaar is in een internationale context en vooral om de principiële belastbaarheid in de werkstaat te temperen (zie verder).

Als uitgangspunt geldt in een internationale context (als er een dubbelbelastingverdrag van toepassing is) namelijk dat een werknemer belastbaar is in de werkstaat. Indien de woonstaat ook de werkstaat is, vormt dat geen probleem. Als de woon- en werkstaat echter verschillende staten zijn, volgt uit deze algemene regel dat de beroepsinkomsten van de werknemer belastbaar zullen zijn in de werkstaat en dat de woonstaat deze inkomsten zal vrijstellen van belastingheffing (of een belastingkrediet zal verlenen) om dubbele belasting te voorkomen.

Belangrijke uitzondering

Een dergelijke principiële belastbaarheid in de werkstaat is echter problematisch. Denk maar aan een Belgische werknemer die voor een Belgische werkgever gedurende een volledig jaar slechts twee dagen in China aanwezig zou moeten zijn om een cliënt te bezoeken en hierdoor in China belastbaar zou worden, een Chinese aangifte zou moeten indienen, de werkgever zou moeten nagaan of er Chinese bedrijfsvoorheffing ingehouden zou moeten worden (als die al zou bestaan) enzovoort.

Op deze principiële belastbaarheid in de werkstaat bestaat echter een zeer belangrijke uitzondering, waardoor de woonstaat alsnog heffingsbevoegd blijft. In de praktijk wordt deze de 183 dagenregel genoemd, alhoewel deze uitzondering op de principiële heffingsbevoegdheid van de werkstaat vereist dat cumulatief voldaan is aan drie voorwaarden, waarvan de 183 dagenregel sensu stricto er slechts één is.

Voorwaarde 1: niet meer dan 183 dagen in werkstaat

Een eerste voorwaarde opdat de woonstaat alsnog heffingsbevoegd zou blijven, is dat de werknemer gedurende een periode van 12 maanden die een aanvang neemt, of eindigt in het belastbare tijdperk in kwestie (of gedurende een kalenderjaar, afhankelijk van het toepasselijke dubbelbelastingverdrag) niet meer dan 183 dagen aanwezig is in de werkstaat.

Een aandachtspunt hierbij is de potentiële ‘retroactieve’ belastbaarheid van een werknemer. Dit kan onverwachte gevolgen hebben, vooral in situaties waarin een opdracht (onverwacht) verlengd wordt. Denk bijvoorbeeld aan een Nederlandse werknemer die gedurende de laatste vier maanden van 2017 in België beroepsmatig actief was voor zijn Nederlandse werkgever. In principe is deze niet belastbaar in België voor het inkomstenjaar 2017.

Indien dezelfde werknemer echter ook (wegens een onvoorziene verlenging van zijn opdracht) de eerste vijf maanden van 2018 beroepsmatig actief is in België, zal de Nederlandse werknemer belastbaar zijn in België op zijn Belgische inkomsten van inkomstenjaar 2017 én 2018.

Voorwaarde 2: werkgever is geen inwoner van werkstaat

Een tweede voorwaarde is dat het loon niet betaald mag worden door óf namens een werkgever die een inwoner is van de werkstaat.

Vooral deze ‘namens’ kan in de praktijk voor problemen zorgen, aangezien men al eens over het hoofd durft te zien dat een ‘materiële werkgever’ ook gekwalificeerd wordt als een werkgever voor de toepassing van het dubbelbelastingverdrag. Om te bepalen wie kwalificeert als een werkgever, kan gebruik gemaakt worden van (onder meer) de volgende criteria: wie draagt de verantwoordelijkheid en de risico’s van de prestaties van de werknemer? Wie geeft instructies? Wie heeft controle en verantwoordelijkheid over de plaats van tewerkstelling? Wie stelt het arbeidsmateriaal ter beschikking? Wie bepaalt hoe en door hoeveel werknemers het werk wordt uitgevoerd? Wie heeft het recht om disciplinaire sancties op te leggen? Wie bepaalt wie welk werk doet? Wie heeft inspraak op de contractuele bepalingen over de werknemer? Wie bepaalt de vakantie en het uurrooster van de werknemer? En dergelijke meer…

Voorwaarde 3: geen vaste inrichting in werkstaat

Een derde voorwaarde is dat het loon ‘niet gedragen’ wordt door een ‘vaste inrichting’ van de werkgever in de werkstaat. Ingaan op de problematiek van het al dan niet aanwezig zijn van een ‘vaste inrichting’ zou ons nu te ver leiden, maar we geven alvast mee dat de aanwezigheid van een werknemer (zeker indien het om leidinggevende werknemers, of werknemers die de werkgever kunnen binden) aanleiding kan geven tot een ‘vaste inrichting’ (de ‘persoonlijke’ vaste inrichting).

Cumulatief

Tot slot benadrukken we dat alle drie voorwaarden van de 183 dagenregel cumulatief voldaan moeten zijn opdat de woonstaat heffingsbevoegd zou zijn. Indien aan één voorwaarde niet voldaan is, is de werknemer belastbaar in de werkstaat vanaf de eerste dag, met alle (administratieve) gevolgen van dien.

In het kader van de aangekondigde controles is het van belang om na te gaan of uw huidige werkwijze conform de toepasselijke wetgeving is en waar nodig bij te sturen. Uw (internationale) zakenpartners die werknemers naar België zouden detacheren, op deze problematiek wijzen, kan uiteraard evenmin kwaad.

Auteur: Jan Lein (Claeys & Engels)

 


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen