< Terug naar overzicht

Buitenlandse aandelenplannen: loon volgens de RSZ?

Begin september 2018 heeft de RSZ zijn interpretatie van het loonbegrip – volgens ons in strijd met de wettelijke bepalingen – substantieel uitgebreid. Wat is er aan de hand?

Aangezien sociale zekerheidsbijdragen (en dus ook in principe vakantiegeld) verschuldigd zijn op ‘loon’ kan een dergelijke uitbreiding verregaande gevolgen hebben. In de media werd hierover snel gewezen op de mogelijkheid dat er voortaan ‘automatisch’ sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zouden zijn op gratis aandelen die worden toegekend door een buitenlands moederhuis aan werknemers van een Belgische (groeps-)vennootschap (terwijl deze onder de ‘oude’ instructies niet als loon beschouwd werden, indien aan bepaalde voorwaarden was voldaan).

Ter herinnering: een voordeel wordt beschouwd als loon onderworpen aan sociale zekerheidsbijdragen indien aan de volgende vier wettelijke voorwaarden cumulatief voldaan is:

  • het voordeel moet in geld waardeerbaar zijn
  • de werknemer moet recht hebben op dit voordeel
  • het voordeel moet ten laste zijn van de werkgever
  • het voordeel moet worden toegekend ingevolge de dienstbetrekking.

Indien een of meer van de wettelijke voorwaarden niet is vervuld, wordt het voordeel in principe niet beschouwd als loon en zijn er bijgevolg geen sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd. De voorwaarde ‘ten laste zijn van de werkgever’ moest tot voor kort begrepen worden als een financiële (de werkgever draagt rechtstreeks of onrechtstreeks de kost van het voordeel) en/of een juridische (de werkgever heeft zich er juridisch toe verbonden om het voordeel toe te kennen en de werknemer kan zich dus tot de werkgever richten indien hij het voordeel niet ontvangt) ten laste name door de werkgever.

Daarom kon dan ook aangenomen worden dat gratis (of met korting aangeboden) aandelen niet moesten worden beschouwd als loon onderworpen aan sociale zekerheidsbijdragen indien deze aandelen door een buitenlandse moedermaatschappij kosteloos (of met korting) werden toegekend aan de werknemers van haar Belgische dochtervennootschap en dit op voorwaarde dat de Belgische dochtervennootschap (werkgever van de begunstigden) op geen enkele manier tussenkwam in de financiering van de kost van deze aandelen en dat de werknemers van de Belgische vennootschap-werkgever zich niet juridisch tot hun werkgever konden richten indien zij deze (gratis) aandelen niet ontvingen van de buitenlandse moedermaatschappij.

Begin september echter verruimde de RSZ zijn invulling van de voorwaarde ‘ten laste van de werkgever’ aanzienlijk. Voortaan zou volgens de RSZ een voordeel ook ten laste van de werkgever zijn in ‘situaties waarbij de toekenning het gevolg is van de prestaties geleverd in het kader van de arbeidsovereenkomst die met die werkgever werd afgesloten of verband houdt met de functie die de werknemer bij die werkgever uitoefent’.   Momenteel stelt de RSZ met andere woorden expliciet dat er sprake is van een voordeel ‘ten laste van de werkgever’ onderworpen aan sociale zekerheidsbijdragen van zodra er een band bestaat tussen de arbeidsovereenkomst (of de uitgeoefende functie) en het voordeel dat wordt toegekend door een derde partij. De achterliggende gedachte is klaarblijkelijk om elk voordeel dat wordt toegekend in een professionele context te beschouwen als loon (zelfs indien dit voordeel op zich niet wordt toegekend als tegenprestatie voor verrichte arbeid en/of de werknemer op basis van zijn arbeidsovereenkomst geen recht ten opzichte van zijn werkgever kan laten gelden op dit voordeel).

In de realiteit leunt de RSZ nu heel dicht aan bij het fiscale (belastbaar) loonbegrip (elk voordeel verkregen ‘uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid’). De RSZ lijkt hier een verkeerde lezing te geven van de Cassatierechtspraak van 20 april 1977. Dit arrest oordeelde inderdaad dat een voordeel dat werd ‘toegekend als tegenprestatie voor de verrichte arbeid’ hoe dan ook gekwalificeerd moest worden als loon, zelfs indien de werknemer hierop geen duidelijk recht kon laten gelden. Het Hof deed met dit arrest enkel en alleen uitspraak over de voorwaarde van het recht hebben op, zonder zich (te moeten) uitspreken over de drie andere wettelijke voorwaarden.

In de veronderstelling dat de redenering van de RSZ gevolgd zou worden door de rechtspraak (het Arbeidshof van Brussel heeft dit in een arrest van 7 maart 2018 reeds gedaan en het een procedure voor het Hof van Cassatie is aanhangig), zou het moeilijk worden om te argumenteren dat gratis (of met korting) toegekende aandelen door een buitenlandse moedervennootschap niet als loon beschouwd moeten worden. Hierbij zal het dan vooral om de vraag draaien of de gratis aandelen toegekend worden aan de werknemers van hun dochtervennootschap zonder band met hun arbeidsprestaties, maar met het oog op het verhogen van de betrokkenheid van deze werknemers (van een zeker niveau) binnen de groep. Of integendeel, in functie van hun arbeidsprestaties, hun prestaties enz... Nogmaals, de rechtspraak die deze interpretatie zou volgen, gaat duidelijk in tegen de wettelijke omschrijving van het begrip loon.

Volledigheidshalve merken we nog op dat twee nieuwe fiscale maatregelen werden aangekondigd in het Zomerakkoord. Deze voorzien erin dat de Belgische vennootschappen die deel uitmaken van een internationale groep verplicht zullen worden om fiscale fiches op te stellen wanneer ‘aandelen kosteloos of tegen een verminderde prijs en andere voordelen van alle aard’ worden toegekend aan hun werknemers door een buitenlandse onderneming van dezelfde groep. Dit zou gelden voor de voordelen die vanaf 1 januari 2018 rechtstreeks of onrechtstreeks werden toegekend (deze verplichting zal dus waarschijnlijk nog voor eind 2018 in wetgeving gegoten worden). De Belgische werkgever zou daarenboven, naast deze ficheverplichting, ook bedrijfsvoorheffing moeten inhouden op deze voordelen wanneer zij rechtstreeks of onrechtstreeks werden toegekend vanaf 1 januari 2019.

Aangenomen dat deze maatregelen er op fiscaal vlak zullen komen, kunnen zij natuurlijk geen afbreuk doen aan een duidelijke, wettelijke definitie van het begrip loon in de sociale zekerheid, net als een begrip uit de socialezekerheidswetgeving geen afbreuk kan doen aan een duidelijke, wettelijke definitie in het fiscaal recht.   Ondanks de sterke kritiek die geformuleerd kan worden op de juridische houdbaarheid van de nieuwe interpretatie van de RSZ zal het uiteindelijk aan de rechtspraak zijn om de knoop door te hakken. Gelet op de mogelijke toekomstige verhoogde zichtbaarheid van dergelijke aandelenplannen zal het wellicht niet lang duren voor dit het geval zal zijn. Interessant voor juristen, minder voor internationale groepen die een duidelijk gebudgetteerd loonbeleid wensen te voeren.

Jan Lein
Advocaat
Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen