< Terug naar overzicht

Binnen welke termijn kan u onverschuldigde bijdragen terugvorderen van de RSZ?

Wanneer een werkgever socialezekerheidsbijdragen heeft betaald aan de RSZ die eigenlijk niet verschuldigd waren, beschikt hij over de mogelijkheid de betaalde, onverschuldigde bijdragen terug te vorderen. Binnen welke termijn moet de vordering worden i

De wet bepaalt dat vorderingen die worden ingesteld tegen de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid met het oog op terugbetaling van niet verschuldigde bijdragen verjaren na verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag van de betaling. Het principe dat de verjaringstermijn begint te lopen vanaf de dag van de betaling geldt echter niet wanneer de verplichtingen van de bijdrageplichtige op het ogenblik van de betaling een verandering zouden ondergaan door een latere gebeurtenis, waardoor er voor de bijdrageplichtige rechten ontstaan voor de periode waarvoor de betaling werd verricht. In dat geval begint de verjaringstermijn pas te lopen vanaf het ogenblik dat de bijdrageplichtige kennis heeft gekregen van deze zogenaamde ‘latere gebeurtenis’.
Het Arbeidshof van Antwerpen moest zich uitspreken over de vordering van een werkgever tot terugbetaling van onverschuldigde RSZ-bijdragen. Het ging over de betaalde RSZ-bijdragen voor een werknemer waarvan, na enkele jaren en een onderzoek door de inspectiediensten, was gebleken dat het ging om een ‘schijnwerknemer’. Aangezien de betrokkene volgens de RSZ ten onrechte was ingeschreven als werknemer, waren de bijdragen die de werkgever in het verleden had betaald aan de RSZ in principe dus onverschuldigd. De werkgever eiste daarom dat alle betaalde, onverschuldigde bijdragen zouden worden terugbetaald door RSZ.
De RSZ merkte op dat de vordering niet werd ingesteld binnen de drie jaar na de betaling van de bijdragen, zodat de vordering verjaard zou zijn. De werkgever beweerde echter dat het bericht van de RSZ waarin hem werd meegedeeld dat de betrokken werknemer ten onrechte was ingeschreven als werknemer, een ‘latere gebeurtenis’ uitmaakte, zodat de verjaringstermijn pas begon te lopen vanaf het ogenblik van de kennisname door de werkgever van deze gebeurtenis. Het Arbeidshof volgde de stelling van de werkgever en veroordeelde de RSZ tot terugbetaling van de RSZ-bijdragen.
De RSZ weigerde zich neer te leggen bij dit arrest en tekende cassatieberoep aan. In een arrest van 30 oktober 2006 gaf het Hof van Cassatie de RSZ gelijk. Volgens het Hof van Cassatie maakte de beslissing van de RSZ tot annulering van de aangifte (die de werkgever deed voor een persoon die geen werknemer was) geen ‘latere gebeurtenis’ uit waardoor de bijdrageplicht van de werkgever was veranderd. Wanneer een werkgever bij de RSZ aangifte doet van een persoon die geen werknemer is, is die aangifte wettelijk gezien niet verantwoord, zodat zij geen bijdrageplicht tot gevolg kan hebben. De annulering van die aangifte impliceert dan ook geenszins een verandering van de niet bestaande bijdrageplicht, waardoor er in hoofde van de bijdrageplichtige rechten zouden ontstaan voor de periode waarvoor de betaling werd verricht.

images
images

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen