< Terug naar overzicht

Bewijs van dringende reden: volstaat de verklaring van een leidinggevende?

Het arbeidshof van Brussel moest oordelen over het ontslag om dringende reden van een zorgkundige in een rusthuis aan wie verweten werd dat hij aan het slapen was tijdens zijn dienst. De reden was alleen gebaseerd op een verklaring van twee leidinggevenden. Volstaat dat?

Twee leidinggevenden van de betrokken werknemer beweerden dat ze hem gevonden hadden op de onderzoekstafel van de dokter van het rusthuis onder een deken met de deur op slot. De werknemer ontkende echter de ingeroepen feiten en stelde dat het ging om een complot om hem goedkoop te kunnen ‘buitenwerken’.

De vraag rees of de verklaringen van de twee leidinggevenden volstonden als bewijs van de dringende reden. Een werkgever die een werknemer om dringende reden ontslaat, moet immers het bewijs leveren van de feiten die hij inroept. Het arbeidshof wijst erop dat het bewijs streng moet worden beoordeeld, gelet op het feit dat het om de zwaarst mogelijke sanctie voor een werknemer gaat.

Sowieso geen dringende reden?

De verklaringen van de twee leidinggevenden – in dienst van de werkgever – die beweerden de slapende werknemer betrapt te hebben, waren het enige bewijs dat de werkgever aanleverde. Aangezien de beweringen van de werkgever door de ontslagen werknemer ontkend werden en door geen enkel ander bewijsmiddel werden aangetoond, kon dit volgens het arbeidshof niet volstaan als een voldoende bewijs. Het hof was dus van oordeel dat de feiten niet bewezen werden en dat het ontslag om dringende reden bijgevolg niet geldig was.

Volledigheidshalve heeft het arbeidshof hier nog aan toegevoegd dat de ingeroepen feiten – zelfs indien deze bewezen zouden zijn – sowieso geen ontslag om dringende reden zouden kunnen rechtvaardigen. Het hof houdt rekening met het feit dat de betrokken werknemer tijdens zijn periode van tewerkstelling van 5 jaar nooit eerder een opmerking of verwittiging had gekregen over zijn werk. Verder hadden de leidinggevenden in hun verklaring zelf aangegeven dat de betrokken werknemer de avond van de feiten correct de medicamenten had verdeeld en dat hij zijn draagbare telefoon bij zich had en dus nog steeds beschikbaar was voor oproepen.

Tevens hecht het arbeidshof onmiskenbaar belang aan de rechtvaardiging die de betrokken werknemer volgens zijn leidinggevenden zou hebben gegeven op het ogenblik dat ze hem betrapt zouden hebben: dat hij oververmoeid was en dat hij niet zou kunnen zitten wegens rugpijn.

Op zoek naar objectieve getuigen of bewijzen?

Aangezien de feiten niet bewezen werden (en er volgens het hof in elk geval ook geen sprake was van een zware fout), werd de werkgever veroordeeld om aan de werknemer een opzeggingsvergoeding te betalen.

Een werkgever die een werknemer om dringende reden wil ontslaan, doet er bijgevolg goed aan om naast verklaringen van leidinggevenden of andere werknemers, ook verklaringen van andere getuigen – die niet in dienst zijn van de onderneming – of andere objectieve bewijsstukken te verzamelen.

Deze rechtspraak roept toch ook een aantal bedenkingen op. Veelal zijn andere werknemers de enige directe getuigen van wat er gebeurt binnen de onderneming, zodat dat het niet steeds mogelijk is derden erbij te betrekken. Hoewel de arbeidsgerechten vaak voorzichtig omspringen met verklaringen van collega’s en leidinggevenden in ondergeschikt verband van de werkgever, beschouwen ze deze doorgaans wel als relevant.

De rechter kan ook toestaan dat de betrokken personen worden opgeroepen voor een getuigenverhoor onder ede ten einde de beweerde feiten in een verhoor te toetsen. Het komt aan de rechter toe om de waarde ervan te beoordelen. Dergelijke verklaringen kunnen niet automatisch aan de kant geschoven worden.

Arbeidshof van Brussel, 16 februari 2016, AR 2014-AB-119

Auteur: Leen Peeters (Claeys & Engels)



< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen