< Terug naar overzicht

Begrip ‘anciënniteit’ in de overheidssector: het Grondwettelijk Hof verduidelijkt

Een personeelslid werd ontslagen. Waarop moest zijn opzeggingstermijn berekend worden: op de volledige werkperiode bij zijn werkgever of moest de periode waarin hij als ‘statutair’ tewerkgesteld was in mindering gebracht worden?

De anciënniteit van een werknemer is een bepalende factor voor heel wat zaken. Zo speelt het aantal jaren dienst een belangrijke rol om de opzeggingstermijn of -vergoeding te bepalen en, in sommige gevallen, voor het bepalen van de hoogte van het loon. De manier waarop het begrip ‘anciënniteit’ door de rechtspraak wordt ingevuld, is dan ook van groot belang. Interessant is in dit verband een recent arrest van het Grondwettelijk Hof over de interpretatie van het begrip ‘anciënniteit’ in de overheidssector.

De zaak draait om een situatie waar een werknemer eerst gedurende een bepaalde periode als ‘statutair’ heeft gewerkt en pas nadien werd tewerkgesteld in het kader van een arbeidsovereenkomst.

Het arbeidshof te Brussel diende zich uit te spreken over de passende opzeggingstermijn voor de werknemer. De werkgever argumenteerde dat er alleen rekening mocht worden gehouden met de opgebouwde anciënniteit ‘als werknemer’, terwijl de werknemer van oordeel was dat de rechter rekening diende te houden met zijn volledige loopbaan bij de werkgever.

Het arbeidshof legde de discussie (als prejudiciële vraag) voor aan het Grondwettelijk Hof. In een arrest van 12 mei 2010 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat voor de vaststelling van de anciënniteit om de opzeggingstermijn te berekenen niet alleen rekening moet worden gehouden met periodes die zijn gepresteerd in het kader van een arbeidsovereenkomst, maar ook met periodes die voordien, bij dezelfde werkgever, ‘onder statuut’ zijn gepresteerd.

Volgens het Grondwettelijk Hof blijkt niet dat een werknemer die een deel van zijn anciënniteit als statutair personeelslid heeft verworven, zich in een andere situatie zou bevinden dan een werknemer die zijn anciënniteit uitsluitend in het kader van een arbeidsovereenkomst heeft verworven.

Een werknemer die zijn anciënniteit gedeeltelijk als statutair personeelslid heeft verworven, beschikt immers niet over meer kansen om een nieuwe, evenwaardige betrekking te vinden dan een werknemer die alleen met een arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld. En juist die kansen vormen het criterium om de passende opzeggingstermijn of –vergoeding te bepalen voor een hogere bediende.

Het Grondwettelijk Hof merkte ook op dat de wetgever de bedoeling heeft gehad om de trouw van een werknemer te belonen, door bij de berekening van de opzeggingstermijn rekening te houden met de anciënniteit die hij heeft verworven bij zijn werkgever. In dat opzicht meent het Grondwettelijk Hof dat de trouw van de werknemer aan dezelfde werkgever moet worden beloond, ongeacht of de werknemer zijn prestaties gedeeltelijk ‘onder statuut’ heeft geleverd.

Grondwettelijk Hof, 12 mei 2010, arrest nr. 54/2010

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen