< Terug naar overzicht

Apra Leven DB-plan: de inrichter moet twee keer betalen!

Op 4 maart 2011 werd verzekeringsonderneming Apra Leven door de FSMA in vereffening gesteld. De reserves waren niet voldoende om aan alle pensioenverplichtingen te voldoen. In een vonnis van 20 december 2018 sprak de arbeidsrechtbank zich voor het eerst uit over de gevolgen voor werkgevers met een zogenaamd ‘vaste prestatieplan’. Indien de reserves onvoldoende zijn, moet de werkgever-inrichter van zo’n ‘defined benefit of DB-plan’ het saldo aanzuiveren. Een aangeslotene die er niet voor opteerde om zijn reserves zelf over te dragen naar een andere pensioeninstelling kan volgens de arbeidsrechtbank nog tot vijf jaar na zijn pensionering een vordering instellen.

De eiser trad in dienst van een vzw in 1979 en werd aangesloten bij een vaste prestatie of defined benefit plan dat vanaf 2000 werd beheerd door verzekeraar Apra Leven. In 2003 kwam een eind aan de arbeidsovereenkomst, waarop Apra Leven bevestigde dat de aangeslotene de verzekerde waarborgen behield. Op 4 maart 2011 werd Apra Leven in vereffening gesteld. In 2013 gaven de vereffenaars een deel van de verworven reserves vrij. Op initiatief van de inrichter werden deze overgedragen van Apra Leven naar een andere verzekeraar.

In 2016 ging de aangeslotene met wettelijk pensioen. De verzekeraar keerde enkel de overgedragen verworven reserves uit, Apra Leven kon door de staat van vereffening niet overgaan tot een bijkomende betaling. De inrichter weigerde over te gaan tot aanzuivering van het saldo. Hierop stelde de aangeslotene een vordering in. In hoofdorde vorderde hij van Apra Leven en van de werkgever-inrichter de betaling van het saldo pensioenkapitaal, in ondergeschikte order vorderde hij van de inrichter een equivalente schadevergoeding gelijk aan het netto saldo pensioenkapitaal.

Is de vordering van de eiser verjaard?

Voor de rechtbank argumenteerde de inrichter dat de vordering van de eiser verjaard was op basis van artikel 15 van de arbeidsovereenkomstenwet. De inrichter stelde dat de verjaring begon te lopen op het moment van de overdracht van de beschikbare verworven reserves van Apra Leven naar een andere verzekeraar. De FSMA bevestigde op haar website inderdaad dat een vordering overgedragen voor 29 juni 2014 verjaarde na verloop van 1 jaar na die overdracht.

In deze zaak is er volgens de rechtbank echter sprake van een collectieve overdracht. De vereffenaars van Apra Leven hadden in samenspraak met de FSMA een procedure ingesteld om de verzekerden de keuzemogelijkheid te geven om de vrijgekomen verworven reserves over te dragen. De eiser heeft er toen voor gekozen zijn beschikbare verworven reserves te laten staan bij de groepsverzekeraar van zijn vroegere werkgever. De werkgever-inrichter besliste daarop de vrijgekomen verworven reserves die nog bij Apra Leven waren ondergebracht over te dragen naar een andere verzekeraar via een groepsverzekering. Dit is volgens de rechtbank een collectieve overdracht en die moet onderscheiden worden van een individuele overdracht waar de FSMA op doelde. De FSMA had bovendien in een e-mail bevestigd dat de verjaring niet begint te lopen in het geval van een collectieve overdracht. Een collectieve overdracht van de verworven reserves doet de verjaring onder de oude verjaringsregels dus niet lopen.

De inrichter argumenteerde in ondergeschikte orde dat de eiser reeds kennis had van de schade aan zijn verworven reserves op het moment van de in vereffeningstelling van Apra Leven en dat de verjaring op basis van de nieuwe verjaringstermijn van artikel 55 van de wet op de aanvullende pensioenen reeds begon te lopen op dat moment. De arbeidsrechtbank volgde ook dit standpunt niet en stelde dat er ingevolge de in vereffeningstelling nog geen zekerheid bestond over enige schade en dat die kennis pas bestaat bij het te gelde maken van de activa en dus pas op het moment van opname van het aanvullend pensioenkapitaal.

Sluiten groepsverzekering bevrijdt inrichter niet van zijn verplichtingen

De eiser was aangesloten bij het vaste prestatieplan van de werkgever-inrichter. Een vaste prestatieplan houdt in dat de inrichter een bepaalde prestatie belooft aan de aangeslotene op een bepaalde datum. In België geldt er echter een ‘externalisatieplicht’ en zijn werkgevers verplicht hun pensioentoezegging te externaliseren bij een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening (IBP of pensioenfonds in de volksmond) of bij een verzekeraar. Door die externalisering ontstaat er een driepartijenrelatie tussen de aangeslotene, de inrichter en de verzekeraar of de IBP. De aangeslotene kan dan de verzekeraar of de IBP rechtstreeks aanspreken op basis van de kwalificatie van de overeenkomst als ‘een beding ten behoeve van een derde’.

In dit geval probeerde de inrichter zich te ontdoen van zijn verplichtingen door zich te beroepen op die externalisatieverplichting. De rechtbank bevestigde hier nogmaals dat het afsluiten van de groepsverzekering de inrichter niet bevrijdt van zijn pensioenverplichtingen. Het feit dat de aangeslotene zich kan richten tot de groepsverzekeraar op basis van ‘een beding ten behoeve van een derde’, doet daaraan geen afbreuk. Omdat het hier gaat over een vaste prestatie of een defined benefit plan, moet de inrichter instaan voor de aanzuivering van de pensioenreserves als die onvoldoende gefinancierd zijn. De inrichter heeft het eindkapitaal bepaald en moet ervoor instaan dat de aangeslotene dit pensioenkapitaal ontvangt op de overeengekomen einddatum.

De rechtbank bevestigde dat men zich uiteraard eerst moet wenden tot de pensioeninstelling, maar dat door het deficitair karakter van de vereffening het zeer waarschijnlijk is dat Apra Leven niet in staat zal zijn het verschuldigde pensioenkapitaal uit te betalen. Daarom veroordeelde de rechtbank Apra Leven en de werkgever-inrichter hoofdelijk en solidair tot het betalen of het laten uitbetalen door een erkende pensioeninstelling van het pensioenkapitaal en, indien er geen pensioeninstelling bereid kan gevonden worden om een dergelijk veruitwendigd risico op te nemen, tot een vervangende schadevergoeding.

De inrichter heeft tegen deze uitspraak hoger beroep aangetekend. Wordt vervolgd.

Arbeidsrechtbank Brussel (NL), 20 december 2018, 16/1792/A

Dorien Verstraeten
Advocaat
Claeys & Engels

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen