< Terug naar overzicht

Anciënniteit berekenen, niet altijd even simpel

Bij het bepalen van de opzeggingstermijn of –vergoeding speelt de anciënniteit de hoofdrol. De berekening ervan kan wel eens moeilijker uitdraaien dan verwacht wordt.

Volgens de Arbeidsovereenkomstenwet moeten de opzeggingstermijnen berekend worden volgens de verworven anciënniteit op het ogenblik van het ontslag. In de regel wordt de anciënniteit van de werknemer gevormd door de periode dat hij/zij zonder onderbreking in dienst is geweest van dezelfde werkgever. Het vertrekpunt van de anciënniteit is dus in principe de datum waarop de werknemer in dienst is getreden.

Let wel: deze datum valt niet noodzakelijk samen met de datum waarop de schriftelijke arbeidsovereenkomst wordt gesloten. Het komt immers vaak voor dat de arbeidsovereenkomst enkele dagen of weken voor of na de effectieve indiensttreding wordt gesloten.

Periodes voorafgaand aan de ondertekening van de arbeidsovereenkomst


In casu was een werknemer al jarenlang actief in een onderneming. Hij was er ooit begonnen als jongeling, toen hij door zijn ouders belast werd met allerlei klusjes in het bedrijf, waarvan hij via getuigenverklaringen ook kon aantonen dat hij hiervoor een vergoeding kreeg. Pas na enkele jaren werd hij aangeworven als werknemer, naar aanleiding waarvan een schriftelijke arbeidsovereenkomst werd ondertekend.

Na zijn ontslag voerde de werknemer aan dat, voor het berekenen van de opzeggingstermijn, er rekening moet worden gehouden met alle jaren waarin hij effectief werkzaam was geweest in de onderneming, dus ook met de jaren vóór zijn (officiële) indiensttreding en de ondertekening van de schriftelijke arbeidsovereenkomst.

Het arbeidshof van Antwerpen was echter van mening dat de voorgelegde getuigenissen en bewijzen niet volstaan om tot het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de onderneming te besluiten. Volgens het arbeidshof toonde de werknemer onvoldoende aan dat zijn geleverde prestaties als arbeid in de zin van het arbeidsovereenkomstenrecht kunnen worden beschouwd.

Volgens het arbeidshof waren er onvoldoende objectieve elementen voorhanden aan de hand waarvan de omvang van de arbeid en het loon tijdens deze periode (voorafgaand aan de start van de latere arbeidsovereenkomst) kon worden bepaald.

Ononderbroken anciënniteit


Bovendien werd opgemerkt dat deze beweerde arbeidsrelatie die reeds voordien bestond, niet ononderbroken was. In geval van een onderbreking van de arbeidsrelatie is uitsluitend de laatste periode van tewerkstelling van de werknemer relevant voor het bepalen van de opzeggingstermijn.

Bijgevolg besloot het arbeidshof dat de werknemer alleen een ononderbroken anciënniteit kan aantonen vanaf het aangaan van de latere arbeidsovereenkomst.

Uit dat arrest blijkt dat enkel de laatste ononderbroken anciënniteit in aanmerking wordt genomen voor het bepalen van de anciënniteit, waarbij de werknemer die beweert een bepaalde anciënniteit te hebben verworven, de bewijslast draagt.

Arbeidshof van Antwerpen, 4 maart 2011, Social Web

Lees meer over


< Terug naar overzicht

U zoekt, u vindt !

HR Square | Magazine, E-zine, Netwerk, Website, Seminaries, ...

Word nu lid !
Geniet van de voordelen